VERGUNNING VOOR HET OPRICHTEN VAN EEN KAARSENMAKERIJ IN 1789 EN 1836

 

 

 

 

Wij zijn naar onze mening de 19e eeuw ver vooruit, als we een verordening maken in verband met milieubeheersing. In 1789 en 1836 kunnen we in Leerdam al spreken van weerstanden en vergunningen op dit terrein en dat is zo’n 150 à 200 jaar geleden.

Voor verlichting zijn er in alle tijden kaarsen geweest. Dat kunnen we op oude schilderijen b.v. van Rembrandt duidelijk zien. In Leerdam was vroeger geen kaarsenmakerij; dat deed men in Gouda.

In 1789 kreeg Gijsbert Drooglever Stevenszoon vergunning tot het oprichten van een kaarsenmakerij. Die kwam niet van de magistraat, maar van de Nassause Domeinraad. Deze trad op in naam van de prins, die officieel de vergunning verleende.

Drooglever vroeg de vergunning aan "ter bevordering zijner affairen (zaken) en tot meerder gemak van de burgers".

Maar dat ging zo gemakkelijk niet. Allereerst was daarvoor toestemming nodig van de magistraat. Deze verleende, wat we tegenwoordig een hinderwetvergunning zouden noemen. Was die vergunning binnen, dan moest ook nog de rentmeester der Domeinen toestemming verlenen. Dit laatste was nodig voor het ontvangen van gelden voor het verlenen van het octrooi (alleenrecht). Daarna verleende de prins het octrooirecht.

Op 24 juni 1789 was de zaak rond en kreeg Drooglever zijn vergunning om gedurende 15 jaar te Leerdam kaarsen te maken en te verkopen. Daarvoor moet hij jaarlijks 6 gulden aan de rentmeester betalen.

Waar de kaarsenmakerij precies gevestigd was, was niet na te gaan. Hoewel er geen bijzondere voorwaarden genoemd worden, kunnen we veilig aannemen, dat de magistraat terdege voorschriften maakte om brandgevaar te voorkomen. De controle op brandbare stoffen was zeer streng.

Wanneer de vergunning werd beëindigd, is niet vermeld, maar het zal wel ten tijde van de Franse revolutie zijn geweest.

Het tweede geval deed zich in 1836 voor, toen G.H. Overkamp aan de gemeenterad vergunning vroeg om een kaarsenmakerij op te richten achter zijn huis in de Kerkstraat.

Direct kwamen de bezwaren van de buren en andere omwonenden. Het eerste bezwaar was het verlenen van de vergunning uit een oogpunt van brandgevaar. We zouden tegenwoordig spreken van toepassing van de hinderwet.

Anderen maakten bezwaar tegen de stank, die het smelten van kaarsvet meebracht: dus milieu-bezwaren. Dat zo’n bedrijf zou komen in de Kerkstraat in dat gedeelte, waar de rijkste Leerdammers woonden, dat kon toch niet!

Het verzoek werd daarom door de gemeenteraad afgewezen. Toch hield Overkamp vol. Hij wendde zich in hoger beroep tot de Commissaris des Konings. Deze verzocht de burgemeester om opgave van redenen, waarom de gemeenteraad had geweigerd.

De bezwaren werden in de vergadering van Gedeputeerde Staten besproken en een lid er van kwam zich persoonlijk in Leerdam op de hoogte stellen. Gedeputeerde Staten deelden binnen een week mee, dat het verzoek niet geweigerd kon worden, daar de ingebrachte bezwaren onvoldoende waren bevonden. Overkamp kreeg dan ook toestemming om zijn kaarsenmakerij op te richten, maar moest beloven, dat hij in zijn huis of zijn erf geen olie zal koken. Dat was te brandgevaarlijk. Van milieufactoren trokken Gedeputeerde Staten zich niets aan. Zij hadden wellicht gedacht, dat de stank wel mee zou vallen, daar de omzet niet groot zou zijn. Overkamp was te weinig vakman en deze mensen schakelden zichzelf wel uit. Tot bloei is de kaarsenmakerij in Leerdam dan ook niet gekomen.

Bedrijven, die veel stank gaven, zoals de leerlooierij, konden alleen buiten de stad gevestigd worden. Maar alle handel verspreidde zijn eigen luchtjes en dat de kaarsenmakerij dat ook deed, was dus heel gewoon. Bovendien was het assortiment bedrijven weer met één uitgebreid en daar kon Leerdam alleen maar voordeel van hebben.

 

R. v.d. Berg

 

Jaargang 4 nr. 4