VAN BODEBUS TOT AMBTSKETEN

 

 

Toen enkele jaren terug de Staten-Generaal besloot dat hun kamerdienaren zoals voorheen, weer getooid moesten worden met een onderscheidingsteken, namelijk de zogeheten bodebus, kwam bij mij dit nog eens lezende, de gedachte op over dit historisch voorwerp te schrijven.

Het is ook niet zomaar iets, het is omringd met veel geschiedenis die terug gaat tot in de vroegste tijden. De man die onderzoek naar de bodebus heeft gedaan, de heer Achterberg, toenmalig bode te Schipluiden, is ook behept met het verzamelen van verschillende soorten en gebruiken. Zo heeft hij heel wat exemplaren, die in het land nog in gebruik of onbruik waren, verzameld. Tot zelfs in België en Frankrijk. De gegevens die door zijn onderzoek boven water kwamen heeft hij in enkele boekwerken gepubliceerd. In de middeleeuwen en later werden door de bode in dienst van zijn opdrachtgever belangrijke stukken toevertrouwd, die in de genoemde bodebussen naar belangrijke instanties of personen moesten worden gebracht. Zo’n bodebus bestond uit een palmhouten ronde bus of doos die werd voorzien van het zegel van de opdrachtgever. Vanaf de vijftiende eeuw werd aan de bodebus een schildje gevoegd met het wapen van de instantie die de bode vertegenwoordigde. Die instanties waren heel verschillend. Daar waren de bestuurslichamen, zoals: Staten Generaal, Provinciale Staten en gemeentebesturen, maar ook Hoogheemraadschappen, waterschappen en polderbesturen bij. Ook de verschillende gilden die er toendertijd waren, voorzagen hun boden van een bodebus als officieel ambtsteken. Zo’n ambsteken gaf aan betreffende personen die gerechtigd waren een bodebus te dragen bepaalde voorrechten. Zo konden zij op vertoon van hun ambtsteken gratis gebruik maken van het toen in gebruik zijnde openbaar vervoer. Dat waren in het verleden o.a. de veerpont, de reiskoets en wat zeker ook veelvuldig voorkwam, de trekschuit en niet te vergeten kost en onderdak. Hieruit blijkt wel dat de drager van de bodebus bepaalde voorzieningen meekreeg hem ten voordele. Het maakte hem ook tot een persoon die het vertrouwen van zijn opdrachtgever had, of soms had hij maar één opdrachtgever, zoals bijvoorbeeld een Graaf, Stadhouder, een legercommandant of zelfs een Prins. Zo had de oudste zoon van Willem van Oranje, Filips Willem van Oranje en Graaf van Buren en Leerdam, een persoonlijke bode die de bodebus moest dragen in de vorm van een soort tas die gedekt was met een zilveren schild met daarop de naam en het wapen Philips-Willem, inhoudend de wapens – Nassau – Oranje – Buren, en nog andere door hem gevoerde wapens.

Zo’n bodebus werd toch gaandeweg een kostbaar ambtsketen. Zij werd steeds sierlijker en gaf aan de persoon die het droeg een zekere allure. Ik noemde hierboven Buren. Dat had als stad ook nog een gemeentelijke bodebus, vervaardigd van zilver, met twee leeuwen die samen het Arkel schild dragen. Of de bodes in Leerdam voorzien waren van een bodebus is mij niet bekend.

 

Wel bekend is dat de Baronie van Acquoy, die een kring vormde met het Graafschap van Leerdam, in het bezit was van een exemplaar, dat werd aangeduid als teken van waardigheid, ten gunste van de voorzitter de poldermeester.

Zo zijn er ook nu nog in verschillende plaatsen de zogenaamde bodebussen aanwezig en in gebruik. Op de foto in de hal bij de keuken, in het Hofje te Leerdam, is te zien dat enkele bodes hun ambsketen dragen. Dat doen ze bij bijzondere gebeurtenissen, zoals ontvangsten, huwelijken en ook wel tijdens raadsvergaderingen.

De bodebus is door de tijd heen uitgegroeid van een houder voor brieven tot een ambtsketen. In dat opzicht was hij namelijk de bode voor de burgemeester. Pas op 16 november 1852, zo lees ik bij J.N. Ellenbaas (handboek voor Nederlands administratiefrecht) werd de burgemeester verplicht een onderscheidingsteken te dragen, dat bestond uit een zilveren penning met aan de ene zijde het gemeentewapen en aan de andere zijde het rijkswapen. Zo lees ik dat toendertijd (1852) in Vianen het nog in discussie is geweest, om van de zilveren ketting van de bodebus een penning voor de burgemeester te laten slaan, ter compensatie van de kosten. Die waren voor de keten en penning Fl. 25,=. Men koos toen toch voor nieuw, maar men verkocht wel de oude zilveren ketting van de bode voor Fl. 12,10. Dat was mooi meegenomen.

Naast de bodebus was er ook nog een bodestaf, waarvan ook mooie exemplaren te zien zijn, alleen in mindere mate dan de bodebus. In de opsporingen die de heer Achterberg heeft verricht zijn honderden bodebussen naar voren gekomen, tot zelfs uit het buitenland. In België: in plaatsen als Gent, Brussel, Antwerpen en Tongeren zijn prachtige bodebussen bekend.

In mijn herinnering denk ik nog altijd aan de Nationale bodedag in de Flevohof, waar we met zo’n 600 gemeentebodes onze gemeentevlag moesten hijsen. Velen van de bodes waren versierd met hun bodebus, dat was een uitzonderlijke dag. Daar is ook het idee ontstaan de bodebussen te inventariseren, wat ook geslaagd is. Dat de dragers van de bodebussen in de nieuwsgaring toch iets apart waren, lees ik uit het takenpakket van de stadsboden van Antwerpen. Hun dagelijkse omgang met de stedelijke bestuurders en hun toegang tot de stedelijke correspondentie maakte hen tot zeer goed ingelichte personen, met veel discretie.

Zo komt ons verhaal over het ambtsketen terecht bij de dragers ervan. In het boek Spreuken 25:19 lezen we: "Dat de koelte van de sneeuw in de oogsttijd is als een betrouwbare bode, voor wie hem zend, hij verkwikt de ziel van zijn heer". Zulke woorden zeggen iets over de inhoudelijke aard van zijn werk. Hij hoort, ziet, zwijgt en is betrouwbaar. In een gemeentelijke organisatie fungeert hij zo’n beetje als een "olieman" die moet zorgen dat alles in geregelde harmonie marcheert, hetzij met of zonder bodebus. Hij bepaalt mede het gezicht der gemeente.

 

Tenslotte nog dit: Wat door de loop der historie uitgroeide van een eenvoudige bodebus tot een sierlijk ambtsketen moge in ’s lands hogere vergaderingen nog steeds tot volle tevredenheid fungeren, zowel voor volksvertegenwoordigers als hun dragers.

 

F. Meijdem

 

Jaargang 23, nr. 2

 

Bronnen:

- De Hollandse bodebus door M. Achterberg

- De bodebus in het Zuiden door M. Achterberg

- Buren, Egmond en Oranje door The Coppens

- Handboek Nederlands administratiefrecht door J.N. Ellenbaars

 

@