UIT HET OUD-ARCHIEF VAN DE GEMEENTE LEERDAM

 

 

 

In het Stadskantoor aan het Dr. Reilinghplein wordt het hier aanwezige deel van het Oud-Archief van Leerdam zorgvuldig bewaard. Het zijn veelal handgeschreven ordonnanties, publicaties, brieven, stadsrekeningen en zo voort, die in genummerde omslagen worden bewaard. Ze gaan terug tot in de zeventiende eeuw, zijn gesteld in de taal van hun tijd en door het paleografisch geschrift moeilijk leesbaar en dus weinig toegankelijk.

Enkele Leerdammers hebben de inhoud van meer dan tweehonderd omslagen getranscribeerd en uitgetypt, zodat deze items nu voor iedereen leesbaar en dus toegankelijk zijn. Op het Stadskantoor, afdeling Interne Zaken, liggen de getypte transcripties ter inzage en/of bestudering. Uit dit beschikbare materiaal volgen hier enige gedeelten, gekozen uit enkele omslagen.

Het betreft een brief van de Prins va Oranje, gericht aan de Drossaard, Schout en Magistraat van Stad en Graafschap Leerdam, een gedrukt stuk, eveneens vanwege de Prins van Oranje, en een placaat tegen bedelaars, landlopers en vagebonden. Eén en ander geeft een indruk van het reilen en zeilen van Leerdam in de zeventiende eeuw.

 

J. Bats

 

 

 

Brief van de Prins van Oranje d.d. 30 mei 1648, inhoudende een ordonnantie wegens de Vrede van Munster

 

Den Prince van Orange

 

Edele, Erentfeste voorsienige Lieve getrouwe, Alsoo Godt de Heere almachtich belieft heeft de moeyte ende arbeyt van de Heeren extraordinaris Ambassadeurs ende Plenipotentiarissen van desen Stadt tot de generale Vredehandelingen binnen Munster in Westphalen aangestelt, soodanich te zegenen ende bij te wonen, dat eyntelijck op den XXXe January lestleden, tusschen den Coninck van Spagnien ter eenre, ende desen Staet ter andere sijde, een Tractaet van Vreede is gemaeckt ende geslooten, daer op wedersijdts ratificatie in behoorlijke forme den 15e deses in de groote Zale van het Stadthuys, binnen de voorscreven Stadt Munster met opene deuren is uitgewisselt, ende het voornoemde Tractaet vervolgens mit solemnelen Eede bevesticht.

Soo hebben de Hoog Mogende Heeren Staten Generaal ons toegesonden de acte van publicatie van den voornoemde Vreede, daer van eenige exemplaren hiernevens gaen, om alomme binnen dese Nederlanden gepubliceert te worden, daer toe ten wedersijden den 5e Juny naestcoomende nieuwen stijl is beraemt ende vast gestelt.

Ende want wij gewoon sijn ons mit soodanige Resolutien van haer Hoog Mogende te conformeren, soo is’t dat wij u bij desen ordonneren ende bevelen de voornoemde Acte binnen Onse Stede ende District van dien, ter plaetse daer dat gebruyckelijck is te doen vercondigen, publiceren ende affigeren, ende met eenen ordre te stellen dat ten selven dage soodanige teeckenen van blijschap worden gedaen, als men om gelijcke saecken gewoon is te doen, ende de selve is meriterende, waer toe ons verlatende.

 

Edele, Erentfeste voorsienige, Lieve getrouwe, Bevelen wij Ulieden hiermede in de bescherminge van Godt Almachtich.

 

In ’s-Gravenhage desen XXXe May 1648

U luyder goede Vrundt

Handtekening: G. d’Orange

 

Deze brief is op de keerzijde voorzien van het zegel van de Prins van Oranje in rode was. De adressering is: Den Edelen Erentfesten voorsienigen Onsen Lieven getrouwen, Den Drossaert, Scholtis ende Magistraet Onser Stede ende Graeffschap van Leerdam.

 

Een gedrukt stuk, te Leerdam ontvangen 19 november 1682, luidende als volgt:

 

Sijne Hoogheyt, in ’t seecker bericht zijnde, dat de Borgh-tochten de welcke de Comptablen gehouden zijn te stellen, allesints in syne Steden en de Heerlijckheden, tot genoeghsame securiteyt van de Geinteresseerdens, niet en werden gesteld Heeft goedtgevonden by desen t’ordonneren aen alle Officieren ende Magistraten syner Steden en Heerlijckheden, mitsgaders aen de Dijckgraven ende Geswoorens, ofte Heemraden der Landen ende Polders, onder de voorszijde syne Heerlijckheden resorterende, dat binnen den tijdt van ses Weecken, naer receptie deser, van alle Penning-meesters, Rent-meesters van Godtshuysen, Armhuysen, Weeskamers, Stockhouders, Collecteurs van Verpondingen ende gemeene Omslagen, als mede van die geene, de welcke volgens de Ordonnantie ofte Costume bevoeght zijn om consignatie ofte gedepositeerde penningen te ontfanghen; ende generalijck van alle andere die eenige penningen uyt krachte van hare Commissien zijn gequalificeert, t’ontfangen, ende te heffen, sullen vorderen, ende effective sonder eenigh uytstel doen stellen suffisante cautie ongelimiteert, ofte tot soodanigen somme, als de voorz. Officieren ende Magistraten, naer het beloop ende import van yeders ontfangh, sullen bevinden te behooren; Sullen oock de gestelde cautien na gelegentheydt van tyden ende saecken doen veranderen; ende wyders soodanigen voorsieninge daer inne te doen, dat aen de voorz. Comptablen, de penningen, haerluyder recpte, met genoegsame securiteyt mogen toevertrouwt werden: Ende ten eynde Syne Hoogheydt moge verseeckert zijn, dat dese syne Ordonnantie is opgevolght, ende precise voldaen, soo sullen de voorsz. Officieren ende Magistraten yder in den haren, aenstonts naer het expireren van de boven-geseyde ses Weecken, aen die van synen Rade en rekeninge schriftelijck hebben t’adviseren, ’t gunt syluyden in gevolge deser sullen hebben verricht, omme des noot, daer inne nader voorsien te worden. Gedaen in ’s Graven-Hage den 19 November 1682.

Was geteeckent,

G.H. Prince d’Orange

Onder stondt,

Ter Ordonnantie van syne Hoogheyt.

Gecontrasigneert,

Ph: Th: Tollius

Zijnde op ’t spatium gedruckt het Cachet van hoog-gemelte Syne Hoogheydt op een rooden Ouwel, overdeckt met een Papieren Ruyte.

 

 

In ’s Graven-Hage,

By Jacobus Scheltus, Ordinaris Drucker van Syne Hoogheyt den Heere Prince van Orange: Anno 1682

 

Onder stond in handschrift:

Den 21e December 1682 ouden stijll van den Stedenhuyse gepubliceert. Actum ten overstaen van de Magistraat in kennise van mij,

 

 

Jaargang 11 nr. 3

 

 

 

 

Secretaris

J. de Meijer

1682

 

 

Placaat tegens Bedelaers, Landloopers en Vagebonden van 8 December 1690

 

Willem Hendrik, bij der gratie Gods Koning van Groot Brittannien Prince van Orange ende Nassauw, Grave van Catzenellebogen, Vianden, Dietz, Lingen, Moeurs, Buuren, Leerdam, etc., Marquis van Ter Veere en Vlissingen, Heere ende Baron van Breda, der Stadt Grave ende Lande van Cuijck, Diest, Grimbergen,Herstal, Cranendonck, Warneston, Urlan, Nosterop, St. Dith, Doesburgh, Polanen, Willemstadt, Nyvervaart, IJsselsteyn, Steenbergen, St. Maertensdijck, Geertruydenbergh, Turnhout, Sevenbergen, de Hooge ende Lage Swaluwen, Naeltwijck, Soest, Baren, Ter Eem, Immenes Binnen en Buyten, etc.; Erf-Burggrave van Antwerpen en Besançon; Erf-Maerschalck van Hollandt; Erfg-Gouverneur ende Stadthouder van Gelderlandt, Graafschap Zutphen, Hollandt, Zeelandt, West Vrieslandt, Utrecht, Over-IJssel ende Landschap Drente; Erf-Capiteyn-Generael ende Admirael der Vereenigde Nederlanden, etc., ALLEN DEN GEENEN DIE DESEN SULLEN SIEN OFTE HOOREN LESEN: SALUUT.

DOEN TE WETEN: Alzoo tot Onser kennisse gekomen is dat in Onse Steden ende Graefschappen van Bueren ende Leerdam, mitsgaders Baronnye ende vrije Heerlijckheydt van IJsselsteyn hen onthouden ende conserveren, oock dickwils en menighmael passeren, ende haer voor eenige tijdt onthouden verscheijden soorten van landt-loopers, bedelaers ende vagebonden, waer onder hun vermengen onder schijn van Ambachts- ofte Hantwercklieden allerley soorten van Kabbauwen, Gaudieven ende Quaetdoenders, als daer zijn Sulpher-priemers, Schoenlappers, Kramers, Leprosen, Quacksalbers, Ratte-kruyt en Pleck-uyt verkoopers, Sangers ende Lietjens wat wonders wat nieuws verkoopers, Hoeden schoonmaeckers, Stoelwinders, Lanteern-lappers en voor al die onder de naem van Heydens ofte Egyptiens hun uytgeven, etc. daer onder hen oock verborgen verscheyden soldaten sonder Pas, dreygementen ende insolentien bedrijven tot seer groote onlijdelijcke lasten ende bezwaernissen van Onse goede Ondersaten der voorsz. Onse Steden, Graefschappen en vrije Heerlijck heijdt.

 

Soo ist, dat Wij omme daer inne te voorsien en den voorsz. Onse Ondersaten te preserveren van verdere schade ende verdruckingen geordonneert ende gestatueert hebben, gelijck Wij ordonneren ende statueren bij desen dat alle de voorsz. Landtloopers en Vagebonden zoo wel vrouwen als mannen met hare kinderen en gevolge terstondt ende metter daet naer de publicatie dese uyt de voorsz. Onse Steden, Graefschappen ende vrije Heerlijckheidt sullen hebben te vertrecken sonder daer wederomme in te komen, verbiedende ende interdicerende hun luyden ende allen anderen van gelijcke stoffe ende conditie binnen de selve Onse Steden, Graefschappen ende vrije Heerlijckheijdt te komen ende aldaer te gaen bedelen, op poene van datelijck geapprehendeert, met water ende broot getracteert, en voorts aan den Lijve gestraft, ofte ten minste gebannen te werden uyt Onse voorsz. Steden, Graefschappen ende vrije Heerlijckheidt ende voorts gelijck de respective Gerechten aldaer naer erigentie ende gelegenheijt der saecken sullen bevinden te behooren.

 

I

Verbiedende ende interdicerende van gelijcken Onsen voorsz. Ondersaten, Gasthuys-meesters, Taveniers ende Slaepstee-houwers, de voorsz. Bedelaers, Landtloopers ende Vagebonden in hare Huysen, Schueren, Bergen ofte Gast-huysen te ontvangen, te herbergen ofte logeeren, nochte oock dat geene Inwoonders of Ingelanden der voorsz. Onse Steden, Graefschappen ende vrije Heerlijckheijdt sullen vermogen zoodanige Bedelaers ende Vagebonden yetwes te geven oft uyt te reijcken, ’t zij gelt, spijsse ofte yets anders, op poene van ’t elcken reijse tien Carolus guldens tegens Ons te verbeuren, bij den geenen die bevonden werden contrarie gedaen te hebben, ten ware sij luyden met gewelt, dreygementen ofte andersints gedwongen mochten werden sulcks te doen, in welcken gevalle sij-luyden gehouden sullen wesen den Officier van de Plaets daer van tijdelijck advertentie te doen, om zoodanige Geweldenaers te apprehenderen, alles op poene van ses Carolus guldens, alle welcke geapprehendeerde Moetwilligers ende Vagebonden een yeder Subalterne Officier sal gehouden wesen te brengen in handen van Onsen Drossaerden als Hooft-Officieren Onser voorsz. Steden, Graefschappen ende vrije Heerlijckheydt ofte der selver Substituten.

 

II

Gelijck oock alle Onse voorsz. Ondersaten des versocht zijnde oock gehouden sullen wesen Onsen Officieren in’t doen van alsulcke apprehentien te assisteren, ’t zij dat sijluyden bij monde ofte klockeslagh daer toe werden versocht, op gelijcke poene van drie Carolus guldens als vooren te verbeuren, bij den geenen die weygerig ofte onwillig sullen zijn, alsulcke assistentie Onsen Officieren te doen, ende opdat de voorsz. Landt-loopers, Bedelaers ende Vagebonden de voorsz. Apprehensie ende correctien des te weyniger souden mogen ontgaen, ende ’t effect van dese Onse Ordonnantie inluderen. Zoo hebben Wij den voorsz. Onsen Ondersaten geauthoriseert, gelijck Wij hunluyden authoriseren bij desen, de voorsz. Apprenensien selfs te mogen doen, mits dat sij-luyden den Gevangens sullen leveren in handen van den Officier, daer onder zoodanige Ingesetenen woonachtigh zijn, die de selve dan aenstonts sal brengen aen den Drossaert, ofte des elfs Substituut, omme bij den selven getracteert, ende tegens hun luyden geprocedeert te werden, als hier vorren is geordonneert.

 

III

Indien oock de voorsz. Bedelaers, Landt-loopers ende Vagebonden den voorsz. Onsen Officieren ofte Onderstaen in ’t doen van de voorsz. Apprehensien feytelijck resisteerden en dat daer onder yemandt van de voorsz. Bedelaers, Landt-loopers ende Vagebonden gequetst mochte werden, Zoo willen Wij ende verklaren, dat de selve Onse Officieren ende Onderstaten daer af ontlast sullen wesen ende blijven, zoo wel jegens Ons ende die Justitie, als tegens den geenen die alsoo gequetst sullen wesen, ende jegens hare Vrunden ende Magen, alwaer ’t schoon datter doodt nae volghde.

 

IV

Ende indien eenige der voorsz. Ambachts- ofte Hantwerckluyden haren cost eerlijck soecken te winnen, deselve sullen gehouden zijn, eerst ende voor al aen Onsen Officier getoondt hebbende bondige ende goede Attestien van haer geboorte- ofte woon-plaetse, ende verder van haer eerlijck leven ende comportement aen Onsen voorsz. Hooft-Officier, ofte syn Substituut te versoecken consent ende admissie voor een dagh ofte drie hare voorsz. Handt-wercken ofte Koopmanschap om Onse voorsz. Steden ende Landen te mogen exerceeren ende te designeren hare Logementen (sonder nochtans dat syluyden ofte yemandt van de hare, 't zij vrouw ofte kinderen, onder sulcken schijn, in middels sullen mogen gaen bedelen, ofte eenige andere insolventien bedrijven) ende daer van nemen een Billiet bij Onsen Hooft-Officier geteyckent, welcke consent ende admissien Wij Onsen Officieren voorsz. Belasten niet al te lichtelijck te geven, als naer genomen kennisse van saecken als vooren; Ende wat soorten van vreemde Ambachts- ende geringe Koop-luyden als boven, sonder zoodanigh Billiet gevonden worden, zullen zij als vooren geseijdt, liberlijck mogen werden geapprohendeert, ende naer erigentie der saecken gestraft.

 

V

Sullen voorts alle vreemde Bedelaers ende Vagebonden die zwack, gebreeckelijck ofte onbequaem zijn haren koste te winnen, binnen twee dagen uyt Onse voorsz. Steden, Graefschappen ende vrije Heerlijckheydt, ende haer transporteren ter Plaetsen, alwaer sy van daen sijn, of voor desen haer hebben onthouden, alwaer sy haer onderhoudt sullen hebben te soecken naer ordre aldaer gebruyckelijck, en gelijck Wij Onsen Officieren, Magistraten, Gasthuysmeesters ende Aelmoesseniers Onser voorsz. Steden en Plaetsen, oock willen hebben gerecommandeert, en niet te min belast, goede voorsorge te dragen, dat alle haere Inlandtsche Arme, oude en gebreeckelijcke Persoonen met nootdruftige onderhoudt mogen werden versien, op dat alzoo hier door een yeder mag sorge dragen voor zijn rechten Armen, ende alle vreemde Bedelaeren ende daer uyt spruytende insolventien mogen werden geweert.

 

VI

Ende zoo wie ter cause van ledig gaen, bedelarijen ofte eenige andere insolventien, gewelt, diefte ofte eenige andere dreygementen ofte outragien, eens uyt Onse voorsz. Stden, Graefschappen ende vrije Heerlijckheydt sal wesen geseydt te gaen, daer uyt geleyt ofte gebannen, ende wederomme daer in komt, willen Wij dat daer over strengelelijck sal worden gestraft, ’t zij bij Geeselinge, Brandt-merckinge ofte andere Straffe aen den lijve, ende sulcks die van de Gerechten voorsz. Erigentien der saecken sullen bevinden te behooren.

 

VII

Ende op dat hier inne geen dissimulatie en geschiedt, noch oock dat de Schepenen, voor de welcke zoodanige Delinquanten als hier boven vermeldt, in rechten sullen getrocken werden, geen zwarigheyt en maken recht te doen, die te verwijsen ingevolge van de tegenwoordige Ordonnantie, zoo wert haer expres bevoolen, dat zijnde bij den Hooft-Officier voor hem gebracht eenige van de voorsz. Quaet-doenders, sij-luyden desen volgens daer over sullen hebben te recht te sitten, sonder sulcks te mogen aer laten, op poene van privatie van hunnen Ampten, ende van inhabiliteyt.

 

VIII

Verstaen voorts alle ’t geene hier vooren jegens Mans-persoonen, desen contrarieerende, is gestatueert, oock plaetse te hebben jegens vrouw-persoonen, jongens ende kinderen van gelijcke stoffe ende soorte, die dese Onse Ordonnantie souden mogen contrarieeren.

 

IX

Ende ten eynde dat Onse Officieren te beter geinformeert mochten wesen, waer dat suylcke Landt-loopers ende Quaet-doenders zijn, zoo ordonneren ende lasten Wij de selve bij desen, dat een yegelijck van hun in zijn destrict respectivelijck hem met sijne Dienaers, Booden ende Schutters, diskwils laet vinden op de vrije ordinaris Merckt, in de Kercken, Gast- ende Arm-huysen, op Kermissen, ontrent Bruyloften, Begraefenissen ende andergelijcke Vergaderingen daer sulcke Luyden gewoonlijck verkeeren, ende daer sij die sullen meene te vinden, om die te vangen, ende met de selve te doen naer den inhouden als vooren.

 

X

Gelijck Wij oock willen en begeeren dat geene vreemde ende uytheemsche Persoonen, haer woon-plaetse ende Domicilium sullen mogen nemen in Onse voorschreve Steden, Graefschappen ende vrije Heerlijckheijdt, ten zij sij luyden alvooren aen Onse Officieren ende Magistraten sullen hebben getoondt behoorlijcke ende bundige Attestatien waer sij van daen komen, hoe sij haer aldaer hebben gedragen, ende voorts van haer eerlijck leven ende comportement, gelijck Wij daer mede in wille hebben begrepen, die binnen den tijdt van drie jaren aldaer zijn komen woonen, welcke voorschreve Attestatie de voorsz. Officieren sullen hebben te verthoonen aen Onse Hooft-Officier, om deselve Persoonen die zoodanige Attestatien inbrengen, te gedoogen ofte niet te gedoogen, zoo als men uyt de selve sal bevinden te vereysschen.

 

XI

Ende ten eynde den inhoude van desen al-omme magh werden geobserveert en nyemandt daer van ignorantie en hebbe te pretenderen, lasten en ordonneren Wij, dat dese in Onse voorsz. Steden ende Graefschappen van Bueren ende Leerdam, mitsgaders Baronnye ende vrije Heerlijckheijdt van IJsselsteyn sal worden gepubliceert ende geaffigeert, daer men gewoonlijck is publicatien ende affirien van Placaeten ende Ordfonnantien te doen.

 

Ontbieden voorts Onsen Drossaerden, Scholtissen ende Wethouyderen, mitsgaders allen anderen Justicieren ende Officieren, dat sij luyden dese Onse Ordonnantie wel sullen hebben te observeren ende te doen observeren ende daertoe aen te wenden alle neerstige ende ernstige devoiren, ende tegens de Overtreders van dien te procederen naer behooren ende den Quatdoenders doen straffen sonder eenige coninvantie ende dissimulatie, ende sullen de Drossaerden tot maintenue van dese Onse Ordonnanteie mogen gebruycken de Landtbooden, Gerechtsbooden, Schutters ende alle beëedighde Persoonen, mitsgaders Onse Soldaten aldaer, ofte zoodanigen Persoonen als Onse voornoemde Drossaerden daer specialijck sullen lasten, want Wij het selve ten dienste, nut ende profijte van Onse voorsz. Steden ende Graefschappen van Buaren ende Leerdam, mitsgaders Baronnye ende vrije Herlijckheijdt van IJsselsteyn alzoo bevinden te behooren.

 

Gedaen tot Whitehal den 8 December 1690

Was geteeckent: WILLIAM R.

Onder stondt: Ter Ordonnantie van Sijne Majesteyt.

Gecontrasigneert: V.V. van Schuylenburgh