EEN RUZIE AAN DE SCHAAIKSEWEG

 

 

 

 

Op dinsdag 13 april 1630, zo’n veertien dagen na Pasen, keerden Cornelis Hendriks, de smid en zijn zoon Jan Cornelis langs de Schaaikse weg naar huis terug. Bij hen was ook Sijmen Jakobs, de ketelboer (zo iemand zouden we nu een koperslager noemen).

Wellicht hadden ze samen op hetzelfde karwei gewerkt. Hun namen komen we regelmatig tegen in de rekeningen van de stad. Cornelis Hendriks had zijn werkplaats bij de Hoogpoort. Waar Sijmen Jakobs in Leerdam woonde, is niet bekend. Van hem weten we, dat hij voor een ½ gulden een koperen windvaan op het nieuwe stadhuis leverde. Vaak waren koperslagers rondreizende personen, die overal in de omgeving de koperen ketels en pannen repareerden.

In april 1632 kreeg hij van burgemeesters en schepenen een verklaring, dat hij enige jaren als koperslager de kost had verdiend. Hij wilde nu echter als "reizende koopman" handel gaan drijven, ketels gaan repareren en allerlei koperwerk opknappen.

 

Op die avond haalde in de buurt van Loosdorp de trekschuit hen in. Deze voer van Leerdam naar Schoonrewoerd en terug. Hoewel de schipper meestal alleen vracht vervoerde, had hij die avond ook passagiers aan boord. Deze waren nogal aangeschoten. Ze hadden paarden en wagens geleverd voor het Staatse leger en hadden daar goed aan verdiend. Of ze in Schoonrewoerd in "De vermoeide Jager", zoals de herberg "De Zwaan" toen heette, lang vertoefd hadden, weten we niet, maar in elk geval hadden ze behoorlijk gedronken. In plaats van te gaan lopen, lieten "de heren" zich varen. Hun namen weten we uit de later afgelegde getuigenverklaringen. Het waren Claas Jeroensen, Evert Roscam, Aart Block, Robbert Goossens en Goossen Wijbrants uit Woudrichem. De schipper liep zelf aan de lijn, want de schuit kon tussen het Hoogeind en Loosdorp niet veel kanten uit. Eén van de passagiers wist het roer te hanteren.

 

Bij het passeren van het drietal handwerkslieden, riep Robbert Goossens hen toe: "Hard gewerkt, mensen?" maar zij gaven daar geen antwoord op. Daarop riep de aangeschoten Robbert Goossens de ketelboeter toe: "Heb je geen blauw garen bij je?" (blauw garen was de uitdrukking voor gestolen goed). Eigenlijk was dat een belediging. De smid bleef zwijgen, evenals de koperslager. Aart Block trachtte de zaak nog te sussen door op te merken: "Robbert, zwijg stil, straks krijg je nog een kwaad woord toe", maar Robbert bleef treiteren.

Jan Cornelis merkte tegen zijn vader op: "Deze heren hebben veel praatjes. Als ze in ’t leger zijn, lopen ze te razen en te tieren achter de voerlui aan. Die schieten niet hard genoeg op naar hun zin. Als ze het hart hadden aan land te komen, zou ik ze wel eens anders leren".

Dat hoorde Goossen Wijbrants, die achter in de schuit zat. Hij stuurde de schuit aan land en sprong van boord. Zijn degen trekkend sloeg hij met twee of drie anderen, die hem gevolgd waren, op de smidszoon in. Het werd daar op de Schaaikseweg een heel gevecht.

Ineens greep de smid zijn geweer en schoot op de vechtende groep. Hij trof Goossen Wijbrants en bracht hem een wond toe. Daarop sloegen de drie mannen op de vlucht. Goossen Wijbrants werd aan boord gebracht en zo kwamen de reizigers in Leerdam. Ze zochten de chirurgijn op en die verbond de wond.

De chirurgijn gaf de zaak door aan de schepenen. Dat was hij verplicht, maar hij deed het ook, omdat hij dan een groter bedrag kon vragen. Messteken en andere verwondingen werden betaald al naar de wond lang en diep was.

De schepenen verhoorden de smid, zijn zoon en de ketelboeter, maar ook de passagiers en als getuigen ook een zestigjarige arbeider uit Loosdorp, die daar had staan spitten en een dertigjarige, die ook van de partij geweest was, omdat hij op het land had gewerkt. Ze legden alleen een verklaring af van wat ze zelf gezien hadden en niet over wat ze later hadden horen vertellen.

De uitspraak van de schout en schepenen, die het gerecht vormden, is jammer genoeg niet opgetekend. We weten dus niet, wie er gestraft werd, of welke straf was opgelegd, maar de Leerdammers hadden weer stof genboeg om te bepraten.

 

R. v.d. Berg

Jaargang 5 nr. 2