VAN HEERLIJKHEID TOT INDUSTRIESTAD

 

 

De Vijfheerenlanden zijn een deel van het overgangsgebied tussen het Hollands-Utrechtse veengebied in het westen, waar zo goed als geen klei meer in de bovenste grondlagen voorkomt én het klassieke rivierkleigebied van de Betuwe in het oosten, waar het veen vrijwel geen rol speelt.

 

De zandige bodem van de berken-, wilgen-, essen-, iepen-, dennen- en eikenbossen onder onze streek werd van lieverlee bedekt met veen en klei.

De grote rivier, de Rijnarm, was dichtgeslibd, maar in het veen ontstonden andere rivieren, die bij overstromingen hun vruchtbaar slib uitwierpen over het veen, waardoor er een welige planten- en vooral bomengroei kon ontstaan. Wanneer een boom stierf door het steeds maar weer stijgende grondwater, dan groeide weer een andere boom op de resten. Zo is het doorgegaan tot omstreeks 700 na Christus.

 

In het landschap van de Vijfheerenlanden treft men nog een viertal van oost naar west lopende veenstromen aan. Van noord naar zuid zijn dit de Tienhovense stroom, de Zijderveldse stroom, de Schoonrewoerdse stroom en de Schaikse stroom. De oude riviertjes vormen nu uitgebreide zandruggen.

 

Sporen van de eerste bewoners van onze streek zijn gevonden op de donk in de polder Hoogeind. Het zijn een vuurstenen krabbertje en een pijlspits uit de Vlaardingen-cultuur (2400 - 2000 voor Christus).

De Vroege Bronstijd (1700 - 1400 voor Christus) is een periode van schaarse bewoning, maar uit de Midden Bronstijd (1400 - 1000 voor Christus) is een aantal nederzettingen bekend. Zo is in Zijderveld een groot deel van een nederzetting met kleine ronde hutten en rechthoekige afrasteringen blootgelegd. De bewoners leefden van veeteelt en akkerbouw.

De nederzettingen uit de Midden Bronstijd zijn in de Late Bronstijd (1000 - 700 voor Christus) verlaten.

De bewoning in deze periode is zeer spaarzaam. Er is een vindplaats bekend in de polder Schaik op de zuidelijke oever van de Schaaikse stroomrug.

Na de late Bronstijd volgt de IJzertijd (700 voor Christus - 0). Uit deze periode is in Zijderveld een bijna volledige plattegrond van een boerderij gevonden.

Vermoedelijk is rond 200 voor Christus de bewoning uit onze streek verdwenen. In de Romeinse periode was het gehele gebied volledig onbewoond. Het was een nagenoeg onbegaanbaar moeras met enkele min of meer droge zandheuvels erin.

 

Nadat omstreeks 1000 de grootste activiteit van de rivieren achter de rug was, is de ontginning van ons gebied op gang gekomen. Men is eerst begonnen met de hoger gelegen gedeelten aan de rand en is daarna de veenwildernis ingegaan.

Grote ontginningsactiviteiten werden aan de dag gelegd door het bisdom Utrecht en het kapittel van St. Marie.

Omstreeks 1200 is aan deze werkzaamheden een einde gekomen.

 

In de totstandkoming van deze ontginningen hebben waarschijnlijk ook de heren Van der Leede een rol gespeeld. De oudste vermelding dateert van 7 oktober 1143 en wel Herbaren. Deze zou twee zonen hebben gehad, te weten Folpert en Floris. Deze Folpert is degene, die in de oude kronieken om zijn misdadig leven onverwachts door de duivel werd gehaald.

 

Uit het geslacht Van der Leede zijn de Arkels voortgekomen. De stamvader van dit geslacht is Herbaren II van der Leede.

De keuze van de Arkels voor de Kabeljauwse partij bracht hen in conflict met hertog Albrecht van Beieren, de graaf van Holland.

In 1401 braken de Arkelse oorlogen uit, waarin ook onze streek een speelbal der heersende machten zou zijn. Jan V van Arkel moest hierin het onderspit delven.

Naast de graaf van Holland speelden in deze strijd Frederik van Blankenheim, bisschip van Utrecht en Reinald IV, hertog van Gelre en Gulik, een rol.

Jan V van Arkel overleed in 1428 in Leerdam, terwijl zijn zoon Willem al in 1417 in Gorinchem was gesneuveld. Deze was ongehuwd. Hiermee was de hoofdstam van het geslacht der Arkels uitgestorven.

 

De dochter van Jan van Arkel, Maria, was in 1409 gehuwd met Jan van Egmond. Via de ambten van kastelein en drossaard wist de heer van Egmond Leerdam in zijn bezit te krijgen. In 1498 verheft Maximiliaan van Oostenrijk Leerdam en Buren tot graafschap. Frederik van Egmond wordt hiermee de eerste graaf. Door het huwelijk van Anna, de dochter van Maximiliaan van Egmond, met prins Willem I komt Leerdam in het bezit van de Oranjes..

Hierdoor ontstond een bijzondere staatkundige bezitting van de prinsen van Oranje en had als zodanig een eigen souvereine status.

Belasting aan de Staten van Holland werd niet betaald. Ook werden zonder goedkeuring van de prins van Oranje als graaf geen plakkaten afgekondigd of uitgevoerd. Krijgsvolk mocht in Leerdam niet worden gelegerd. Deze toestand heeft tot 1795 bestaan.

 

In de Tachtigjarige oorlog bedreigden de Spanjaarden onze streek meerdere malen. In 1574 werden zowel Leerdam als Asperen ingenomen door een uit Spanjaarden, Zwitsers en Italiaanse ruiters bestaand leger onder bevel van Chiapini Vitellio. In Leerdam lag een bezetting van twee vendels soldaten met als commandant Laeken van Buren. Toen de Spanjaarden begonnen met de beschieting van de stad, was hij genoodzaakt zich over te geven. Ondanks eerdere beloften werden de Leerdamse predikant Joost de Jonge, de schoolmeester Rogier Joosz. en de Asperense predikant Quirinus de Palme gevangen genomen en opgehangen. Tot 22 december 1576 zou er een Spaanse bezetting in de stad blijven.

 

Als in 1672 de regering van de Republiek radeloos is en ons volk redeloos, met als gevolg daarvan het land reddeloos, staat onze omgeving, als deel van de Hollandse Waterlinie, twee jaar onder water. Dat mocht niet verhinderen, dat de Fransen Leerdam toch bezetten.

 

Bij de reis van prinses Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van stadhouder Willem V, welke bekend is geworden als "de aanhouding bij de Goejanverwellesluis", wordt ook de stad Leerdam betrokken. Zowel op de heen- als op de terugreis vertoeft de prinses in Leerdam. Hier ontvangt zij ook het antwoord van de Staten van Holland en van hieruit durft zij pas de prins te schrijven over haar ervaringen. Het Pruisische leger, gezonden tot het stel van het stadhouderlijk gezag, slaat een brug over de Linge.

 

In 1795 wordt op dezelfde plaats opnieuw een brug gelagen, maar nu door de Fransen, die nu ons land bezetten.

 

Nadat al eerder geallieerde troepen in onze stad en omgeving gelegerd waren geweest, ondervond Leerdam veel last van doortrekkende Franse soldaten. Deze moesten na aankomst in de stad van voedsel voorzien worden en trokken dan weer weg.

In 1813 kwam er een einde aan de Franse overheersing van ons land. Een terugkeer naar de oude tijden was er niet meer bij. Het bestaan van het graafschap was ten einde.

 

Waren de bestaansbronnen oorspronkelijk hoofdzakelijk op landbouw en veeteelt gericht, de vestiging van een glasfabriek in 1765 zou daarin verandering gaan brengen. In dat jaar stichtten de broers Pilgram en hun zwager Jan Jurgen Meeder een flessenfabriek aan de Lingedijk. In 1875 werd door de toenmalige eigenaren van dit bedrijf een hardglasfabriek opgericht die de naam Jeekel Mijnssen & Co. zou krijgen en uiteindelijk onder de naam Royal Leerdam internationale bekendheid kreeg. Een timmermanswerkplaats en molenmakerij zou uitgroeien tot de houthandel en timmerfabriek Varsseveld. De tweede grote werkgever in de 19e en 20e eeuw. Helaas bestaat dit bedrijf niet meer.

 

En tussen de hoge en zware dijken stroomt reeds eeuwen de Linge, het kleine riviertje. Doch meerdere malen is dit de oorzaak geweest van dijkdoorbraken en overstromingen.