NIEUWE GRENZEN?

 

 

 

Een artikel over de nieuwe grenzen van de gemeente Leerdam zou men niet direct verwachten in het orgaan van de "Vrienden van Oud-Leerdam". Het lijkt immers meer gericht op de toekomst dan op het verleden. Het is echter ook mogelijk dit "grensgeval" door een historische bril te bekijken. Dan blijkt, dat die grenzen bijna allemaal al in het verleden zijn vastgesteld, slechts enkele gedeelten zijn nieuw volgens het voorstel in het ontwerp herindeling.

 

Het betreft het gedeelte tussen de overwegen van de Achterdijk en de Koenderseweg, waar de spoorbaan de nieuwe grens wordt in plaats van de Achterdijk, die als zodanig al werd genoemd in een handschrift van Johan van Arkel in 1297.

 

Een tweede wijziging is te vinden bij een punt waar als grens wordt gekozen voor de Middelwetering in plaats van de Oude Zijderveldse Steeg, die in vroeger eeuwen reeds de grens vormde tussen de graafschappen van Leerdam en Culemborg.

 

Nu de gemeenten Asperen, Heukekum en Spijk bij Gelderland zijn gevoegd, is de Linge niet alleen gemeente, maar ook pronvinciegrens geworden. Het is aannemelijk dat er enige correctie wordt aangebracht ten aanzien van Heukelums gebied ten noorden van de Linge, dat nog herinnert aan een andere loop van de Linge in vroeger tijden. Ook een kleine correctie rond de kom van de gemeente Leerbroek kan in het voornemen liggen.

 

Het gebied binnen deze grenzen heeft een lange en bewogen historie, die tot ver in de Middeleeuwen teruggaat. Centraal daarin is wel het voormalige slot Ter Leede, waaraan alleen nog de bijzondere verkaveling van het omliggende land herinnert. De leden van dit geslacht waren in deze streken de vroegste ontginners. Hun identiteit is niet bekend. Ze worden het eerst genoemd in 1143. Dat stemt enigszins overeen met de bevindingen, dat vooral de twaalfde eeuw (1100 - 1200) werd gekenmerkt door grote droogte in geheel West-Europa.

 

Zou het daarom al te gewaagd zijn te veronderstellen, dat het veenstroompje de Lee(de) in deze tijd werd afgedamd en het gebied erlangs in cultuur gebracht werd? Zouden de nederzettingen als Leerdam en Schoonrewoerd in deze eeuwen zijn ontstaan of misschien nog wat vroeger? In deze periode waarschijnlijk door hun ligging op de hogere terreinen beveiligd tegen mogelijke overstroming, in latere tijden verder beschermd door een dijk langs de Linge (Hoogstraat) of het aanbrengen van een paar meter grond op de oorspronkelijke stroomrug. Interessant is wel, dat niet alleen boerenhoeven op hoogten werden gebouwd (nog op tal van plaatsen te zien), maar dat ook voor een groep boerderijen een woerd werd opgeworpen.

 

Leerdam en Schoonrewoerd zijn ongetwijfeld al oude vestingen. De oudste delen in de nieuwe gemeente zijn het echter niet. Die zullen we moeten zoeken in het zuiden langs de Linge. Tot deze bewering kom ik op grond van een plaatsnamenonderzoek van professor Blok. Hij kwam namelijk tot de conclusie, dat plaatsnamen eindigend op "chem" (ook afgezwakt tot "hem, em, om en um") ontstaan zijn vanaf de vijfde tot de tiende eeuw. Heim betekent daarin woning of woonplaats. Men moet zich zulke vestigingen niet al te groot voorstellen. Meestal betreft het enige boerenhoeven op enige afstand van elkaar. Opvallend bij dit onderzoek is ook, dat juist in deze streek zoveel van deze plaatsen zijn blijven bestaan. De vestigingen liggen vrijwel alle op de verhoogde oeverwallen langs een rivier. Ga maar na: Redichem, Beusichem (Lek), Gellicum, Heukelum, Kedichem, Gorinchem (Linge), Zuilichem, Dalem, Woudrichem (Waal). Verder naar het westen komen deze namen niet voor, naar het oosten zijn de meeste verdwenen. Kedichem en ook Oosterwijk zullen dus al vroeg in de Karolingische tijd zijn ontstaan.

 

Er is nog een argument, dat deze gang van zaken waarschijnlijk maakt. In de toelichting bij de nieuwe bodemkaart van de Vijfheerenlanden vind ik vermeld, dat de Linge in de periode van circa 250 tot circa 650 een heel actieve rivier is geweest. De brede bedding is daartoe al een aanwijzing. In de Karolingische tijd is het al een "dode" rivier geworden, die in de 12e eeuw bij Tiel werd afgedamd. De mogelijkheden van vestiging langs de rivier worden met deze constatering dus bevestigd.

Schriftelijke bewijzen voor het vroege bestaan van nederzettingen (ook met andere namen) worden genoemd voor de plaatsen Arkel, Aperen, Gellicum en Well, die in 1983 uitbundig hun 1000-jarig bestaan hebben gevierd.

In een oorkonde van de abdij Werden (aan de Ruhr) worden deze plaatsen reeds genoemd in 983. Speciaal Arkel kan aanzienlijk ouder zijn. Het wordt als koningsgoed genoemd. Dat zijn rechtstreekse bezittingen van de Frankische koningen, die her en der in hun rijk verspreid lagen en grotere oppervlakten besloegen; daar ze bij voorkeur in de nabijheid van rivieren of riviermonden werden gekozen, valt te denken aan combinatie met het gebied rond Gorinchem waar ook reeds in een vroeg stadium ontginningen op gang zijn gekomen.

 

Het is vanuit deze streken, dat nakomelingen uit het geslacht van Van der Leede hun heerschappij vestigden over het gebied van de Merwede tot de Lek, van De Giessen tot over de Diefdijk. Een roemruchte familie, die zich vestigde in Asperen en Heukelum, evengoed als in Noordeloos en Meerkerk.

Toen in 1305 het geslacht Van der Leede was uitgestorven, kocht Aarnoud van Arkel in 1306 het land waarop het oude slot "Nijger Lede" stond van het klooster Sint Paulus te Utrecht, zodat ook dit gebied Arkels werd.

 

Ook de heerschappij van de machtige Van Arkels is uiteindelijk gebroken. Niet alleen door machtiger rivalen als de Graaf van Holland, de Hertog van Gelre, de Bisschop van Utrecht en hun helpers, maar ook door interne verzwakking van de bewoners door ziekten en verarming als gevolg van overstromingen en voortdurende onderlinge strijd.

 

De grenzen van de nieuwe gemeente Leerdam dateren evenwel voor het grootste gedeelte uit de tijd van de Van Arkels. In het centrum ervan ligt dan het stukje grond, vergeten en bijna onherkenbaar, van waaruit de ontginning van het middengebeid van de Vijfheerenlanden begonnen is en waar de "grondslag" werd gelegd voor een "heerschap" van 3 á 4 eeuwen.

 

d. K.

 

Jaargang 5 nr. 4