KOENDERSEWEG

 

 

Waar komt de naam "Koenderseweg" vandaan?

 

In het aprilnummer van 1984 van dit orgaan doet de heer De Klerk de oplossing aan de hand van de naam "Kappersouwe". Het is buiten twijfel, dat daarmee de Middelkopersouwe wordt bedoeld. In de loop van de tijd is het woord "Middel" daarvan afgesleten, zodat het woord "Koppersouwe" overbleef. Met het woord "Kopper" wist men kennelijk geen raad en men heeft hier toen "Kapper" van gemaakt.

 

Maar hoe staat het met de nadere naam voor deze scheidingsweg waarover verschillende auteurs in dit blad hebben geschreven? Ligt bij de herkomst van de naam "Kappersouwe" de nadruk op de aardrijkskundige betekenis, bij de naam "Koenderseweg" is dit bepaald niet het geval.

 

De naam moet zijn afgeleid van een voornaam van een "voornaam" inwoner van deze streek, die Koen of Koendert of Koenraad werd genoemd. Deze naam is van Germaanse oorsprong en betekent "de vastberadene" of "de koene raadgever". De naam is zeer oud, want de op 1 juni 1066 overleden bisschop van Trier droeg reeds de Duitse naam "Conradus".

 

Vermoedelijk is de naam afgeleid van Coen, heer van Oosterwijk alias Coen van Herlaer, die voorkomt in 1398 en 1407. In het eerste jaar als hij tien gewapenden moet leveren voor het leger van zijn leenheer hertog Albrecht in diens strijd tegen de Friezen. In het tweede jaar als hij twee manschappen moet afstaan voor het leger van hertog Willem, graaf van Holland, die op moeten komen te Woudrichem. Uit de vorenstaande plicht van de leenman tegenover de leenheer blijkt één van de grondbeginselen van het leenstelsel. Ene Coen van Oosterwijk komt ook voor in een acte van 1424 als een familielid van Johan, heer van Heukelum, als deze geld schuldig is aan diens graaf neef Dirk van Heukelum.

 

Coen van Oosterwijk of Van Herlaer zal behoord hebben tot de familie, waartoe ook Dirk van Herlaer werd gerekend, die omstreeks 1300 het slot Herlaer tussen Ameide en Tienhoven bezat, welk geslacht uit de omgeving van Den Bosch kwam. Johan van Herlaer verkocht in 1357 een hoeve in het Recht van ter Leede, de Hagenshoeve genoemd, aan Lambert Millincx, een bewijs, dat deze familie meer bezittingen in de omgeving had. Aernt van Oesterwijc was in 1389 schepen van Schoonhoven.

 

De Koenderseweg, wellicht ontstaan uit een verbreding van een kade, vormde een belangrijke verbinding tussen Oosterwijk en Leerbroek en het is dus aannemelijk, dat deze weg een toenaam reeds in de Middeleeuwen bestond. De weg was vroeger in de gemeenten Kedichem en Nieuwpoort gelegen, waarbij vermeld moet worden, dat de huizen op de oostelijke berm tot Kedichem werden gerekend, het huis tegenover de Achterdijk bleek op grond van Kedichem en Leerdam te staan, terwijl de huizen bij Leerbroek op Leerdams gebied lagen.

 

Zeker is de naam ook al in 1585 in gebruik, want in dat jaar effent "Pauwels den scipper" de sporen en delen (gaten) op de "Coendersschen wecht". Pauwels was vermoedelijk schipper van Heukelum op Gorcum en heette Pauwels Dirksz. Blijkbaar was hij behalve beurtschipper ook nog polderschutter. Tussen de "beurten" in kon hij blijkbaar nog wel tijd vinden voor dat werk.

 

Op een kaart van de Vijfheerenlanden van 1741 komt de naam "Coenderschen wech" voor, terwijl een kaart van de heerlijkheid Oosterwijk van 1794 als naam vermeldt: "De Koendersche of Kaspersauwe wech".

Dat de naam vanuit Oosterwijk is ontstaan, laat zich verstaan. De kasteelheer heeft misschien het eerste stuk van de weg laten verbreden omdat zijn hofhoef daarnaast was gelegen en daarom is zijn naam daaraan gegeven.

 

Ook nu weer blijkt een plaatselijke aanduiding met gegevens en enige fantasie achterhaald te kunnen worden. Hoewel buiten het bestek van dit artikel vallend vraag ik mij af hoe de naam was van net Oosterwijkse kasteel. Dat moet zoals veel andere toch een naam hebben gedragen en dat zal wel niet "Koendersburg" zijn geweest!

 

De gegevens voor dit artikel zijn ontleend aan archieven en verschillende publicaties.

 

B.J. de Groot

 

Jaargang 9 nr. 4

 

Koenderseweg of Kappersouwe?

 

De weg en uiteraard de daarmee verbandhoudende Middelkoper vliet zijn al vaak onderwerp voor historische beschouwingen geweest.

Kennelijk hebben deze weg en vliet op velen indruk gemaakt. Geen wonder, want het maken van deze voorziening had voor de nederzetting Oosterwijk rigoureuze gevolgen, die heden, na zes eeuwen, nog voelbaar zijn. Immers, de jonge ontginning werd door deze vliet welhaast in tweeën gesneden. Laten we in dit bestek daarop echter niet ingaan, maar ons bepalen bij de naam van de bij deze aanleg ontstane weg.

 

Ontstaan of oorsprong naam

De oorsprong van de naam ligt in de ontginning en het tot stand komen van de polder. Daarom eerst wat over dit gebeuren.

Oosterwijk is de eerste ontginning in dit gebied, wat nog duidelijk te zien is aan de rechte kavels vanaf de Lingedijk naar de Achterdijk. De lengte ligt rond de 2000 meter, als breedte wordt genoemd 200 Romeinse schreden (ca. 150 meter), waardoor een hoef de grootte kreeg van 25 à 30 morgen, een oppervlakte, in die dagen nodig voor het levensonderhoud van een familie.

De buurtschap was nog maar dun bevolkt, vermoedelijk ongeveer 150 volwassenen. Uiteraard was er weinig verkeer. De bewoners van een hoef hadden als regel een pad over de lengte van hun bezit. Toen de Tiendweg aangelegd werd kwamen er bruggen over de weteringen die thans nog aanwijsbaar zijn.

Ter beveiliging tegen het oppervlakte- en kwelwater uit de Betuwe, dat via een doorlaat in de Diefdijk langs Loosdorp zijn weg moest vinden naar de Zederik, was de Achterdijk aangelegd. Deze dijk was aanvankelijk niet bewoond. De bezitter van een hoef was verantwoordelijk voor een stuk Achterdijk ter breedte van zijn perceel evenals dat bij de Lingedijk het geval was.

 

Hoefslag

Dit onderhoud werd hoefslag genoemd en werd nauwkeurig beschreven op een hoefslagblad in het hoefslagboek. Het is niet duidelijk of de aanleg van de Achterdijk per hoefslag is gedaan dan wel of hij vooraf gezamenlijk tot stand gebracht is. Hoe het ook zij: het is voor zo’n klein aantal mensen heel wat om niet minder dan 7 kilometer wetering te graven voor de waterafvoer, en daarnaast een dijk van dezelfde lengte op te werpen. Een karwei dat geheel met handkracht werd uitgevoerd.

De dijk liep via de polders Kedichem en Rietveld door naar de Zederik bij Arkel, zodat een gebied van zo’n 1300 ha. beveiligd werd.

 

De ontginning

De oeverwal van de Linge was geschikt voor bouwland, het lagere gebied voor grasland en griendhout. Op de grens van bouw- en grasland werd de Tiendweg aangelegd, met aan weerszijden een wetering voor waterafvoer, de Hooglandse en de Laaglandse wetering. Zoals de naam al aangeeft was deze weg bestemd voor afvoer van de tiend, het recht van de ambachtsheer.

De Tiendweg sloot in ’t westen aan op de poldergrens met Kedichem en liep in een boog met de Linge mee tot waar de Linge en de Leede bijeen kwamen. Het si duidelijk dat deze weg verbinding moest hebben met de dorpskern waar het huis van de ambachtsheer stond. We kunnen zinder meer aannemen dat dit in dezelfde tijd als de Tiendweg gedaan is. In die tijd had het meeste vervoer plaats via het water en als er dus van de tiendproducten naar elders verkocht werd, moesten die aan ’t veer naar Heukelum ingescheept worden. Deze weg dus, als verbinding tussen Tiendweg en woonkern, moet derhalve reeds in ’t begin van de ontginning zijn aangelegd, want het akkerland op de Lingestroomrug moet ’t eerst in cultuur geweest zijn en was in feite het meest van belang voor de heer van het dorp. We menen veilig te kunnen stellen dat dit plaats had zo rond 1200.

 

Oorsprong naam van de Koenderse weg

In een artikel in "Van Stad en Graafschap Leerdam", lente- en grasmaand 1990, schrijft de heer B.J. de Groot dat de naam van deze weg is afgeleid van Koen of Koenraad. Minstens drie heren van Oosterwijk worden genoemd met de naam Coen. Het ligt voor de hand dat de weg, die begon in de dorpskern, dus vlakbij het huis of hofstad van de heer van ‘t dorp, diens naam ging dragen: weg van Coen,, Coen z’n weg, Koenderse weg.

 

Kappersouwe

In ’t begin van de 20ste eeuw werd te Oosterwijk niet van Koenderse weg gesproken, maar was het steevast Kappersouwe.

Waar komt dit vandaan? Deze naam zal ontstaan zijn na het graven van de Middelkoper vliet. Nadat de ontginningen rond 1300 hun beslag hadden, kwamen er problemen met de waterafvoer. Het Betuwse water ging nu voor de Diefdijk naar de Linge en Nieuwlandse boezemland kon ontgonnen worden. In 1371 vond Otto van Arkel het gewenst aan de polder Laag-Middelkoop een uitwatering in zuidelijke richting te verschaffen. Dit werd dus nu mogelijk omdat de afvoer van het Gelderse water via het Nieuwlands boezemgebeid weggevallen was. De nieuw te graven vliet kwam langs de polders van Leerbroek en Nieuwland, terwijl Oosterwijk doorsneden werd. Het zal duidelijk zijn dat deze polders geen last van Middelkoops kwelwater wilden hebben. De vliet kwam dus tussen een paar stevige kaden te liggen.

Voorbij de Tiendweg te Oosterwijk werd de Koenderseweg in het traject opgenomen en ging men ten oosten van deze weg door de Lingedijk naar de Oosterwijkse wiel. Waarom deze wiel? Door deze wiel liep namelijk de grens met Heukelum en dat was het gebied van een andere heer. De polder Laag-Middelkoop kreeg voor deze voorziening het eigendomsrecht over de benodigde grond, d.w.z. zij moest zorgen dat de kaden in goede conditie bleven, plus het beheer van de sluis in de Lingedijk. Hiervoor was een pad nodig van Middelkoop naar Oosterwijk.

De Koenderse weg was er al, dus was het logisch dat de kade vanaf de Tiendweg naar Middelkoop daarvoor gebruikt werd. Het was voor de hand liggend dat deze kade Middelkopersouwe genoemd werd. Van lieverlede werd "middel" weggelaten en sprak men van Kopersouwe wat in de volksmond Kappersouwe werd. Er van uitgaande dat de heer van Arkel in 1371 beschikte, dat er ene nieuwe watergang zou komen, kunnen we veilig aannemen dat de Kappersouwe rond 1400 voltooid was en dus 200 jaar jonger is dan de Koenderse weg.

 

Verval Middelkoper vliet

De vliet voldeed niet als afwatering en al spoedig werden er aan de Kappersouwe twee molens gebouwd om het water naar de wiel te stuwen. Naarmate de polders beter ontwaterd werden, daalde het maaiveld door inklinking van het veenpakket. Men ging daarop uitwatering zoeken op de Zederik en de op Oosterwijk staande molens werden in 1553 en 1649 verplaatst naar Zederik. Hiermede verloor de vliet zijn functie en werd nadien vaak "dove vliet" genoemd. Vliet en weg bleven echter onder beheer van Middelkoop.

Zo is bekend, dat na de doorbraak van 1741 het bestuur van Middelkoop aan Walig Janse Verdugt op de Berendrecht het recht geeft de sluis in de dijk op te ruimen en de vliet aldaar, die hij daarna zijn eigendom mocht noemen, te dempen.

Ondanks het verval van de vliet blijft de Kappersouwe bestaan als verbindingsweg tussen Oosterwijk en Leerbroek. Wee moeten van deze weg geen hoge dunk hebben. ’t Zal weinig meer dan een graskade of kleiweg geweest zijn.

 

Weggebruik

Zo is bekend dat in 1846 de Gemeenteraad van Leerbroek een suggestie van het Provinciaal bestuur behandelde betreffende combinatie van gemeenten. Dus ook in die tijd plannen voor herindeling!.

De raad van Leerbroek wijst de suggestie echter af met als motief, dat er geen communicatieweg is tussen de voorgestelde plaatsen Leerbroek en Nieuwland enerzijds en Kedichem en Oosterwijk anderzijds. Zij stellen, dat de verbinding met genoemde plaatsen alleen mogelijk is over Leerdam of over de Arkelse dam. Blijkens deze uitspraak wordt de Kappersouwe niet geacht een verbindingsweg te zijn.

Dat deze weg slecht begaanbaar was blijkt ook uit een verzoekschrift van de bewoners van de Achterdijk in 1850. Zij vragen de weg te "bezanden" omdat deze vooral in het winterseizoen welhaast onbegaanbaar is, wat moeilijk is voor het kerk- en schoolbezoek.

In een toelichting hierop door het polderbestuur wordt gesteld dat deze weg niet zo druk gebuikt wordt omdat vele Achterdijkers voor het bijwonen van kerk- en schooldiensten gebruik maken van de "rechtoppaden" over de hoeven.

Het verharden van de Kappersouwe heeft op ’t eind van de 19e eeuw zijn beslag gekregen.

 

@

Conclusie

Beide benamingen zijn juist, n.l. Koenderseweg vanaf de Oudendijk naar de Tiendweg, daterende rond 1200; Kappersouwe vanaf Tiendweg naar Leerbroek, tot stand gekomen rond 1400. De officiële naam van het gehele traject is thans: Koenderseweg.

 

Auteur onbekend

 

@

Jaargang 14 nr. 1

@