HONGERWINTER 1944/1945

 

De Duitse bezetters vorderden in de laatste wereldoorlog in Nederland veel levensmiddelen. Daarom werden tijdens de twee laatste jaren op verschillende plaatsen stukken grasland zogenaamd gescheurd en in stukjes landbouwgrond omgezet en verhuurd. Daarop konden door de gebruikers voor eigen gebruik groente en aardappelen worden geteeld.

Het voedsel tekort zou nog veel nijpender worden. Na luchtlandingen bij Arnhem had het spoorwegpersoneel op verzoek van de regering in Londen het werk neergelegd. Als reactie daarop verboden de Duitsers alle binnenscheepvaartverkeer waardoor voedsel- of brandstofaanvoer via spoor of via water niet meer kon plaatsvinden. Eind september 1944 bleek al dat er voedselschaarste dreigde te komen. Op dat ogenblik was er in Amsterdam nog maar voor zes weken brood, voor drie weken aardappelen en voor nul weken vlees aanwezig. Daar de Duitsers zelf inzagen dat ze niet gebaat waren bij een hongersnood en de daaruit voortvloeiende onrust onder de bevolking, besloten ze in oktober de blokkade op het varen met binnenschepen op te heffen. Het zou helaas nog lang duren voordat dit besluit effect sorteerde.

Naast voedselschaarste was er ook een groot tekort aan kolen en gas, waardoor veel mensen geen warme maaltijden konden klaarmaken. Daardoor ontstond er eind oktober 1944 een ware run op de uitdeelposten van de gaarkeukens. Vanuit de gaarkeuken weren grote hoeveelheden maaltijden, die in grote ketels waren bereid, aangevoerd. Het geleverde eten bestond uit stampot van peen en uien, van verschillende soorten kool, van peulvruchten met aardappelen, koolstronken, bloembollen etc. Het eten van e gaarkeuken was geen extra hoeveelheid voedsel, inlevering van de nodige distributiebonnen was vereist. Tegen inlevering van bepaalde bonnen kon men een knipkaart krijgen, waarmee een weeklang een warme maaltijd gehaald kon worden. Het eten werd uit gamellen gedistribueerd. De binnenschepenschippers voeren intussen nog steeds niet. Naast het feit dat ze bang waren voor de vele vliegtuigbeschietingen, waren ze ook bang voor inbeslagname van de voedselschepen door de Duitsers. Pas nadat Seyss-Inquart daarvoor garanties zou geven, zou gevaren worden. Die toestemming kwam uiteindelijk half december 1944.

Daarna brak er een strenge winter uit die tot eind februari zou duren, waardoor scheepvaart al die tijd niet mogelijk was. Vanaf februari was er, in Nederland, sprake van echte hongersnood. Het aantal dodelijke slachtoffers van honger en kou zou oplopen tot meer dan 20.000. Vooral ouderen en sociaal zwakkeren waren in de hongerwinter kwetsbaar. Tot eind mei 1945 moesten meer dan 200.000 mensen wegens ondervoeding in Nederlandse ziekenhuizen worden opgenomen.

 

D.J.Versluis.

 

Mijn vraag hierbij is of er nog mensen in Leerdam en omgeving zijn die dit aan den lijven hebben ondervonden.

Kunnen zij dit in het verenigingsorgaan vertellen?

 

Jaargang 29, nr. 2