HOE LEERDAM EEN DEEL VAN DE PROVINCIE HOLLAND WERD

 

1. Leerdam een zelfstandig graafschap

 

Leerdam was van ouds een zelfstandig gebied onder de Ter Leedes en de Van Arkels. Dat is onder de Oranjes, die graven waren van Leerdam, steeds zo gebleven.

Wel lag dit graafschap tussen de provincies Holland en Gelderland in, maar vóór 1795 hebben beide provincies hun wetten in dit graafschap niet tot gelding kunnen brengen. Gelderland sloeg zijn oog vooral op Culemborg, maar toen in 1748 prins Willem IV dit graafschap kocht, was het met de Gelderse invloed gedaan. Holland zocht zijn macht in deze streken steeds meer uit te breiden. Met Vianen gelukte dit in 1725, toen deze stad bij Holland werd ingelijfd, maar de Oranjes hebben Leerdam nooit aan Holland verkocht. Wel waarschuwde in 1788 het lid van de Domeinraad er voor. Hij toonde in een groot verhaal van 200 blz. aan dat Leerdam steeds zelfstandig is geweest.

 

2. Leerdam deel van Holland

 

Nauwelijks waren de Fransen ons land binnengevallen, of de patriotten wendden zich tot de Nationale Vergadering en verklaarden dat Leerdam deel uitmaakte van Holland. Het waren dus de patriotten, die de baas speelden en deze verklaring aflegden.

 

Op 16 maart 1795 verklaarde de Bataafse regering, dat Leerdam niet langer de lasten van hun graaf behoefden te voldoen. Ze waren nu verplicht de lasten van Holland op te brengen, evenals alle andere ingezetenen van die provincie.

Als vertegenwoordigers van Leerdam namen ds. Johan Claassen en Jacobus IJzerman zitting in het Vertegenwoordigend Lichaam van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland, nadat ze eerst op 24 april 1795 de eed ervoor hadden afgelegd.

De patriotten hadden weinig over de gevolgen van hun verklaring nagedacht. ’t Was immers Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Leerdam was nu vrij van het oude juk, maar weldra bleek, dat Holland niet alleen op die Vrijheid stond, maar ook op de Gelijkheid. Niet alleen in ideële zin, maar ook op het stuk van de belastingen, die veel hoger waren dan vroeger.

Holland had bij besluit van 17 juli 1795 zijn inwoners een geldheffing opgelegd van 6 % van hun kapitaal. Leerdam moest deze last dus ook betalen!

Maar Leerdam beriep zich nu op een oude bepaling, dat het geen belasting behoefde te betalen aan Holland. De Nationale Vergadering stelde voor de behandeling van dit beroep een speciale commissie in, die antwoord moest geven op de vraag of Leerdam, Schoonrewoerd en Acquoy wel zelfstandige gebieden waren.

 

3. De Personele Commissie voor de zaken van Leerdam, Schoonrewoerd en Acquoy

 

Een commissie van zes personen, onder wie Kempenaar, Ten Berge, Boellaard, Jordens en Stoffenberg, werd benoemd om de moeilijkheden tussen de provincie Holland en Leerdam te onderzoeken.

Zulke commissies waren er wel meer. De overgang van de Verenigde Provincies tot het Vrije Volk van Nederland gaf op veel meer plaatsen moeilijkheden. Zo was er een commissie ingesteld over de eigendommen van de Nassaus, voor de zaken van Culemborg en Buren, enz. Zo werd er ook één ingesteld voor de moeilijkheden van Leerdam.

In deze commissie stelde men zich allereerst de vraag, of Leerdam wel tot Holland behoorde. Dat moest Leerdam dan maar eens bewijzen!

 

Daarom stelde onze stad een uitvoerig verslag op, dat met verschillende bewijsstukken werd toegelicht.

De bewijsstukken waren:

 

Toestemming van Philips II, waarin verklaard werd, dat Leerdam vrij was van belastingen. Dat stuk dateerde van 20 augustus 1557.

Een akte van compromis met Holland van 22 december 1600.

Handvest van 8 april 1407 van Willem van Beyeren, hertog van Gelre.

Handvest van Acquoy. (Schoonrewoerd maakte in die tijd nog geen deel uit van Leerdam.)

 

Nadat de commissie deze stukken had ontvangen, moest ze binnen 8 dagen van antwoord dienen. De commissie vond die tijd te kort en verkreeg uitstel.

 

Rapport

 

Toen het rapport verscheen, bleek dat de commissie het voor en tegen van de aansluiting bij Holland goed had overwogen. Hoewel er geen stukken overlegd werden, waaruit bleek dat men met de Provincie Holland had gesproken, kon men toch nagaan dat de vertegenwoordigers van Holland wel terdege inspraak gehad hadden.

Het uitvoerige rapport met allerlei vóór en tegen vermeldde o.a.

 

De geografische ligging van Leerdam ten opzichte van Holland paste goed in het geheel van Holland.

Na de dood van prins Willem I had de provincie Holland alle steden uitgenodigd voor een bespreking. Leerdam was ook bij deze vergadering tegenwoordig geweest. Ter nagedachtenis aan deze Statenvergadering waren in de glazen vensters van het Hof van Holland in Den Haag de wapens van de verschillende steden opgenomen, waaronder nr. 30 ook het wapen van de stad Leerdam.

In de strijd met de Spanjaarden had Leerdam steeds één lijn met Holland getrokken.

De Staten van Holland hadden in de onderhandelingen met Hendrik III van Frankrijk, door hem de opperheerschappij van Holland aan te bieden, op 21 februari 1585 Leerdam opgenomen onder de sterkte van Holland.

Hendrik Cleijn, burgemeester van Leerdam had zich in verband met de ordonnantie op het bier bij rekwest van 29 mei 1751 tot de Staten van Holland gewend. In dit rekwest stond, dat Leerdam altoos een onafhankelijk deel van Holland was geweest, zodat het bier van Leerdam steeds beschouwd was als inlands bier, in Holland gebrouwen en geen buitenlands bier.

Leerdam had in 1787 een Hollands garnizoen gekregen en deze troepen waren stilzwijgend ingekwartierd.

Bij de afzwering van Philips II in 1581 verviel de aanspraak op de vrijstelling van de belastingen, omdat deze vorst er niets meer mee te maken had.

Leerdam had zelf gevraagd om tot Holland te behoren en enkele vertegenwoordigers hadden aan de besluitvorming van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland deelgenomen. Men kon zich dan ook nooit beroepen op een verwarde toestand. Eerst negen maanden later was men met bezwaren gekomen, omdat men nu betalen moest.

Bovendien was men ontheven van de betaling aan de vroegere graaf. Wel had men daar geen voordeel van gehad, daar de rentmeester de gelden alsnog had ingevorderd. De regeerders van Leerdam hadden het dus aan zichzelf te wijten, dat ze dubbel moesten betalen.

Leerdam had verder in allerlei bepalingen berust. Het had wel de voordelen genoten, maar had niet evenals Willemstad en De Klundert tegen de komst der Franse troepen geprotesteerd. Daarom moest men nu ook deelnemen aan de betaling van de 6 % lening voor de betaling der troepen.

 

De commissie achtte geen verder uitstel van betaling meer noodzakelijk en deed daarom de uitspraak, dat van 26 november 1796 af Leerdam tot Holland behoorde.

De Nationale Vergadering was het met het rapport eens. Vanaf die datum was Leerdam dus door eigen inbreng deel geworden van de provincie Holland.

 

R. v.d. Berg

 

Jaargang 3 nr. 3