HET SINT ANNA GILDE

 

Het Sint Anna gilde

 

In de administratie van de Nassause Domeinraad vinden we bij de Geestelijke goederen een aantal landerijen, die vóór 1600 toebehoorden aan het Sint Anna gilde. De inkomsten van deze landerijen werden na de Hervorming bestemd voor kerkelijke doeleinden. De inkomsten bestonden uit de verpachting van 3 mergen land op Loosdorp, 6 mergen op Klein-Oosterwijk en 6 mergen in de polder de Geer.

Over het doel van het Sint Anna gilde weten we echter heel weinig. Het is bekend, dat Sint Anna de schutsvrouwe was van aanstaande moeders.

Het is dus te begrijpen, dat men uit dank voor een gelukkige geboorte aan het altaar van Sint Anna allerlei geschenken gaf, o.a. in de vorm van land. Uit de inkomsten van dat land kon men op de sterfdag van de schenker voor hem zielenmissen lezen.

We weten ook, dat de kerkelijke gilden (verenigingen) geheel anders georganiseerd waren dan de burgerlijke. Als kerkelijk gilde had men geen invloed op de stadsregering. Een burgerlijk gilde had dat wel. Denk maar eens aan Jacob van Artevelde in Gent. Als lid van een kerkelijk gilde wilde men alleen eer aan de heilige (in dit geval Sint Anna) brengen.

In de Bijdragen en Mededelingen van Gelre uit 1908 staat een verordening over het Sint Anna gilde uit Wageningen uit 1515 gepubliceerd. Hieruit krijgen we een kijk op dit gilde, dat vrijwel overal in ons land op dezelfde wijze geschoeid was.

 

Bij de toetreding moest ieder broeder of zuster, gehuwd of ongehuwd, een pond was geven en een schepel rogge. De was werd bestemd voor de begrafenissen van de leden. De rogge was voor de priester, die de begrafenisdienst leidde. Op het altaar van Sint Anna werden bij de begrafenis kaarsen gebrand.

Door toetreding tot het gilde door één van de beide partners van de gehuwden, werd de andere tevens lid. Het was dus geen gilde voor alleen mannen of alleen vrouwen. Was men reeds lid vóór het huwelijk, dan moest de ander een pond was geven, want door het huwelijk werd men automatisch lid.

Wilde men uit het gilde treden, dan moest toch een pond was en een schepel rogge betaald worden, opdat aan de rechten van de andere leden niet tekort gedaan zou worden.

 

Op der verjaardag van Sint Anna (26 juli) werd een andere gildemeester gekozen. Het gilde had de weg naar een voortdurende overheersing van één man afgesloten. Wie gekozen werd moest de benoeming aanvaarden en kon zich niet verontschuldigen.

 

Stierf een lid, dan moest men aan de bode een stuiver geven voor het houden van de herdenkingsdienst. Maakte iemand een testament, dan moest men 3 gulden betalen en een schepel rogge. Het geld was dan voor de priester, die de dienst leidde en voor de koster, die met zijn zangers de liederen zou zingen. Kon iemand niets betalen, dan zou de begrafenis wezen als voor de rijkste van de broederschap. Men wilde geen verschil maken tussen arm en rijk.

 

Uit dit alles blijkt, dat hier sprake is van een kerkelijk gilde. We kunnen dus begrijpen, dat de inkomsten na de Hervorming bestemd werden voor de Geestelijke Goederen. Het doel wal wel verschillend, maar de bestemming: voor de kerk, was gelijk.

 

R. v.d. Berg

 

Jaargang 3 nr. 3