HET RECHT VAN VRIJ TE VAREN

 

 

 

Al eerder hebben we u iets verteld over het recht van Leerdam om vrij de Rijn te bevaren. Dit recht door Arnout van Gelre en zijn voorgangers gegeven werd door Gorinchem aangevochten. Nader onderzoek heeft uitgemaakt om welk product het in 1632 ging.

In de rekeningen van de stad staan enkele posten, waaruit bleek, dat er hooggaande ruzie was tussen Gorinchem en Leerdam over het tolgeld. Burgemeester Arie Jans is met de drossaard zelfs nar Gorinchem geweest om te protesteren tegen het opleggen van tolgeld over de vervoerde goederen. De Leerdammers hadden dit tolgeld geweigerd te betalen.

Reeds in 1626 had Zaltbommel geprobeerd om tol te heffen van goederen, die door Leerdamse schippers vervoerd werden, maar dat was mislukt. Het oude recht van Arnoud van Gelre aan Leerdam gegeven om alle goederen zonder onderscheid op de Rijn en de zijrivieren te vervoeren, was ook Gorinchem een doorn in het oog. In 1632 brak deze kwestie dan ook los.

Wie had het recht dit privilege te geven? In 1427 had Willem van Beijeren aan Leerdam dit voorrecht toegekend, maar gold dit nog in 1632? Gorinchem wilde dat wel eens uitgezocht hebben. Gold dit vervoer alleen per schip of ook ander vervoer? B.v. per vlot.

Uit tot dusver ongepubliceerde stukken bleek, dat het ging om vervoer van Wezels eikenhout, dat met grote vlotten de Rijn afkwam.

Het houtvervoer per vlot was ook na 1900 nog wel de gewoonte. Vele oudere Leerdammers zullen zich dat nog wel herinneren. De firma Varseveld kocht nog een hele tijd boomstammen in Duitsland. Dat hout werd in vlotten de Rijn afgevoerd. Die houtvlotters waren mensen, die hun vak goed verstonden. ’t Was dan ook geen sinecure om enkele honderden boomstammen naar Holland te varen. Die houtvlotten waren goed met elkaar verbonden, maar ze waren moeilijk bestuurbaar. De vlotters hadden hun eigen keten en loodsen op het vlot gebouwd en leefden hun eigen leven. ’t Vervoer per water was goedkoop.

Viel nu zulk vervoer in 1632 ook onder het privilege of niet? Het ging immers niet per schip? En gold het in die dagen ook nog, daar Leerdam geen deel uitmaakte van de provincie Holland zoals Gorinchem?

 

Was het wel belangrijk genoeg om er zoveel ruzie over te maken? Over deze laatste vraag zijn we het spoedig eens. Hout was in die tijd het bouwmateriaal en werd in grote hoeveelheden aangevoerd. In Leerdam verrezen veel huizen van steen, maar er waren nog veel woningen van hout. En dan de watermolens! Tot in onze tijd vinden we daar nog voorbeelden van. Denk maar ens aan de gemalen in het Recht van Ter Leede!

Op 4 augustus 1632 legden burgemeesters en schepenen van Woudrichem de verklaring af, dat de kooplieden in hout al meer dan 26 jaar Wezels eikenhout gekocht hadden en dat dit op de zaagmolens in Woudrichem voor de Leerdammers gezaagd werd. Die hadden dat in Tiel of in Zaltbommel gekocht en werd in grote vlotten aangevoerd zonder ooit in Gorcum of andere plaatsen onderweg daarover lastig te zijn gevallen of er ooit tol voor de moeten betalen.

Ook oud-burgemeester Jan Cornelis Stam, die in het gewone leven meester timmerman was, verklaarde ten behoeve van de Woudrichemse kooplieden, dat hij reeds 13 jaar te Zaltbommel hout op stroom had gekocht en nooit tol had behoeven te betalen.

Eenzelfde verklaring legde ook Arien Mertens van Rossum, oud-burgemeester en schepen van Leerdam af. Hij had al meer dan 30 jaar hout gekocht in Woudrichem en zijn vrouws vader was ook meer dan 30 jaar timmerman geweest en had in Woudrichem in het groot hout gekocht en was er nooit lastig over gevallen, als hij dat naar Leerdam bracht.

Nog andere houthandelaren legden een dergelijke verklaring af. Het ging dus niet om kleinhandel, maar om groothandel en dat was voor Leerdam en Woudrichem van veel belang.

 

Viel het vervoer van hout per vlot wel onder het privilege, omdat het niet per schip ging? In de akte van 1428 van Arnout van Gelre staat, dat de tolvrijdom niet alleen te water, maar ook te land geldig was en dat niemand van de Leerdammers tolgeld mocht eisen, waar de tol ook maar langs de Rijn lag.

Gold het privilege ook voor Leerdam, nu het in 1632 geen deel uitmaakte van Holland? Deze vraag werd voorgelegd aan de heren van de Raad- en Rekenkamer van prins Frederik Hendrik door Adriaan Jans, burgemeester en Bastiaan Elbers, schepen van Leerdam, die daarvoor acht dagen lang op stadskosten in Den Haag bleven. Hierover lazen we echter tot heden nog niets Maar in elk geval had het magistraatsbestuur wel zijn best gedaan.

Uit het vervolg van de rekeningen kunnen we afleiden, dat Leerdam de weg van de minste weerstand koos. Bij de geboorte van een zoon van één van de burgemeesters van Gorinchem bood met hem een gouden kop aan als "pillegift" en legde in de kop een aantal gouden munten. Het kostte de stad meer dan vier honderd gulden. De vrede was hiermede getekend en Leerdam heeft nooit meer iets over deze tolkwestie gehoord.

 

R. v.d. Berg

 

Jaargang 4 nr. 3