HET GASTHUIS VAN LEERDAM

 

 

De heer R. v.d. Berg hield op 23 november 1981 een lezing over het gasthuis van Leerdam, die door de heer K. van Baren werd vastgelegd. De bewaard gebleven diaconieboeken hebben de basis gevormd voor zijn lezing. Zij waren een rijke bron van kennis waaruit hij de geschiedenis van het Gasthuis voor een belangrijk deel heeft kunnen uitlichten.

 

Al voor de Hervorming was er in Leerdam sprake van een gasthuis, als voorloper van het pesthuis. Vanaf de middeleeuwen tot ver in de 18e eeuw was de pest een vreselijke volksziekte, die met tussenpozen als de grote maaier door stad en land raasde. Het kwam voor, dat door een epidemie de bevolking werd gedecimeerd, dus tot op één tiende van de oorspronkelijke grootte werd teruggebracht. Lijders aan de pest werden ondergebracht in het pesthuis, waar zij in feite kwamen om te sterven, aangezien er van verpleging weinig terecht kwam. De armen, die de ziekte overleefden, gingen naar het Gasthuis, een gemeentelijke instelling, die beheerd werd door een aantal gasthuismeesters. Deze werden voor hun leven benoemd door de magistraat. Opper-gasthuismeester was de drossaard. Omdat als gevolg van de Hervorming er allerlei moeilijkheden ontstonden over de eigendom van de kerkelijke goederen, vaardigde prins Willem I in 1565 een resolutie uit om de eigendommen van het Gasthuis goed te bewaken. Prins Willem I deed dit als graaf van Leerdam.

In het gasthuis werden de arme, oude, afgeleefde burgers, die niet meer voor zich zelf konden zorgen, verzorgd. Rondzwervende lieden, die geen dak boven het hoofd hadden, werden er opgevangen. Ze mochten er één nacht overnachten en moesten dan, voorzien van een paar penningen, weer vertrekken.

Het Gasthuis heeft enkele eeuwen lang een uiterst belangrijke sociale functie vervuld. Zowel in de ziekenzorg, als in de armenzorg in Leerdam en dat tot het midden van de 19e eeuw, toen door de instelling van het burgerlijk armbestuur er veranderingen optraden.

 

Aanvankelijk kende men het Grote en het Kleine Gasthuis. Deze strekten zich uit van de Kerkstraat tot aan de Hoogstraat. Van de plaats, waar thans (1981) opticien Klaarenbeek is gevestigd tot aan het einde van de nu nog bestaande Gasthuissteeg.

Het Kleine Gasthuis was echter reeds lang vóór 1600 buiten gebruik gesteld en werd verhuurd aan de predikanten voor een bedrag van 36 gulden per jaar. Dit veranderde in 1620, toen ds. Colonius zich in Leerdam vestigde. Het Kleine Gasthuis bood voor zijn grote gezin te weinig ruimte en daarom huurde hij een andere woning in de stad. Toch bleef de huurtoelage van e predikanten steeds bepaald op 36 gulden, ondanks allerlei geldontwaardingen van later tijd.

 

Het Grote Gasthuis stond op de plaats, waarop tot voor kort nog een vijftal bouwvallige woninkjes stonden in de Gasthuissteeg. Het zal tijdens de verschrikkelijke pest-uitbarsting van het jaar 1636 hoogstwaarschijnlijk dienst hebben gedaan als pesthuis. Later heeft het deels leeg gestaan, vermoedelijk omdat er te weinig animo bestond ruimte te bewonen, waar pestlijders tijdens hun ziekte waren ondergebracht. De zolder van het Grote Gasthuis werd jarenlang gebruikt als opslagplaats voor haver en andere granen en na 1650 als bergplaats van turf voor het stadhuis.

 

De verzorging van de in het Gasthuis opgenomen personen was vrij goed. De mensen kregen rogge- en tarwebrood, kaas, soms vlees, boter, stroop, bier (volksdrank in die dagen), kleding, klompen of ander schoeisel. Melk was voor hen een geneesmiddel, dat alleen werd verstrekt op voorschrift van de chirurgijn. Bovendien kregen zij turf voor de verwarming van hun huizen.

 

Dit alles werd gefinancierd uit de inkomsten, die het Gasthuis genoot uit zijn bezittingen, die omstreeks 1646 geschat werden op 4700 gulden. Een voor die tijd aanzienlijk bedrag. De inkomsten bestonden uit pacht van landerijen, renten en tijnsen va huizen en verstrekte leningen. Deze bezittingen waren meestal door schenkingen bij testamentaire beschikkingen verkregen. Tot de inkomsten behoorde ook een bedrag, dat geheven werd bij de aanbesteding der accijnzen, het zogenaamde "oortjesgeld". Vroeger inde de magistraat niet zelf de belastingen, maar besteedde dit uit aan particulieren. Bij de verpachting van landerijen en tienden werd ook een bijdrage "voor de armen" gevraagd bestaande uit een oortje (een kwart stuiver) per gulden van het bedrag waarvoor men inschreef. De inkomsten waren in totaal wel zo hoog, dat het praktisch niet voor kwam, dat de gasthuismeesters gedwongen waren iets van de bezittingen te verkopen.

 

De uitgaven omvatten naast de kosten van voeding, kleding, schoeisel en verwarming, ook bedragen voor het wassen van lakens. Tweemaal per jaar werden de lakens op bed verschoond. Voorts bestonden de kosten uit betaling van pillen en poeders door de chirurgijn voorgeschreven, kosten van doodskisten en begraven, loon voor het malen van graan door de graanmolenaar en het bakken van brood door een bakker uit de stad. Al met al vergde het beheer van het Gasthuis veel werk en administratie. De gasthuismeesters werden daarvoor gehonoreerd met een bedrag van f 36,- per jaar.

Naast het Gasthuis was ook de Diaconie werkzaam, die de armen van de kerk steunde, meestal in de vorm van geld. In die jaren waren er kerkdiensten op woensdagavond en vrijdagmorgen. Deze werden door de armen trouw bezocht, niet louter uit vroomheid, maar ook om hun ondersteuning niet te verliezen.

 

Toen in 1673 de Franse troepen ook Leerdam bezet hadden, moest de gemeente Leerdam een brandschatting betalen. De Diaconie moest hierin een bijdrage leveren van 300 gulden. Daardoor kon deze de armen niet meer voldoende verzorgen. Het Gasthuis sprong bij en nam de helft van de kosten van de kleding voor zijn rekening.

 

In 1737 ontstond er een geschil tussen de gasthuismeester en de diaconie. De bijdrage aan de diaconie werd ingetrokken. Na enige tijd beloofde het Gasthuis voortaan ieder jaar een bedrag van f 250,- te zullen betalen. Het duurde evenwel slechts kort, daar de landerijen van het Gasthuis door de vele overstromingen weinig of niets opbrachten. Daarom werd het besluit genomen, dat de Diaconie het gasthuis inclusief alle goederen zou overnemen en voortaan de zorg voor alle armen van de stad, zonder te letten op hun geloofsovertuiging, op zich zou nemen. Het Gasthuis was bouwvallig geworden en in 1767 werden in de plaats ervan een tiental kleine woninkjes gebouwd.

 

In 1854 werd de armenzorg wettelijk geregeld en werden de armen, die niet tot de Hervormde Kerk behoorden, opgedragen aan het Burgerlijk Armenbestuur. De tien woninkjes vervielen weer aan de gemeente. Deze huisjes zijn tot ongeveer 1940 bewoond geweest. Een deel is later verkocht aan de firma Plomp, die ze liet afbreken om er een nieuw winkelpand voor in de plaats te bouwen. Niet zo lang geleden zijn ook de resterende, in zeer bouwvallige staat verkerende vijf woninkjes verkocht. Deze werden bij het klaar maken van de kopij (1981) afgebroken.

Tot zo ver het boeiende relaas van de heer Van den Berg.

 

K. van Baren

 

Jaargang 1 nr 5