FREDERIK VAN EGMOND (1440-1521)

 

Frederik van Egmond (1440-1521)

 

De eerste Vrijheer en graaf van Leerdam

 

Frederik van Egmond was de tweede zoon van Willem en Walburga van Meurs. Ook hij zette de familietraditie voort. Hij koos de zijde van de Kabeljauwen en daarmee die van Philips de Goede en later die van diens zoon Karel de Stoute.

In 1470 komt hij in de openbaarheid als hij een overeenkomst, een zoen, tussen de burgers van Utrecht en die van IJsselstein weet te bewerkstelligen.

In 1472 overlijdt zijn vrouw Aleida van Kuilenburg, Vrouwe van St. Maartensdijk en erfdochter van Buren. Ze was een kind van Gerard van Kuilenburg en Elisabeth van Buren.Uit dit huwelijk waren 7 kinderen gesproten, die echter op één na, Floris, jong stierven.

In datzelfde jaar kreeg Frederik van zijn oom Arnoud de hertog van Gelre voor bewezen diensten, o.a. financiële, de heerlijkheid Buren, die Arnoud in 1453 veroverd had. Waarschijnlijk zat daar de gedachte achter, dat als Arnoud Buren niet veroverd had, de heerlijkheid ook in het bezit van Frederik zou zijn gekomen toen zijn vrouw in dat jaar overleed. Frederik trouwde voor de tweede keer met een adelijke Duitse vrouw, Walburga van Manderscheidt. Over haar is weinig bekend.

In 1474 onderscheidde hij zich bij het beleg van Neuss. Voor zijn verdiensten bij dat beleg werd hij door Karel de Stoute tot ridder geslagen.

 

Niet alleen bij Karel stond hij in hoog aanzien, maar ook de enige dochter van Karel Maria schonk hem haar vertrouwen. Zij stelt hem aan tot één van haar raadslieden. Hoezeer zij hem waardeerde, bleek toen Maria na de dood van haar vader en zij als enige erfgename over zijn bezittingen kon beschikken, op 16 maart 1476 te Gent de volgende akte liet opmaken:

Maria, hertogin van Bourgondië enz. beleent Frederik van Egmond erfelijk met het oude Arkelse bezit de heerlijkheid van Lederdam en het land van der Lede, om de haar en haar vader bewezen diensten….. en omdat de voorwaarden waarop zijn Willem van Egmond de heerlijkheid opdroeg aan haar vader, na haar tot 1466 te hebben bezeten, niet zijn nagekomen.

Hieruit kan worden afgeleid dat Maria niet bekend was met het standpunt van wijlen haar vader. Immers van de zijde van de Bourgondiërs werd Leerdam gezien als een deel van het land van Arkel dat hun toebehoorden en hadden zij de Van Egmonds als kastelein, enz. aangesteld om Leerdam voor hen te bewaren en zonodig te verdedigen.

 

Lezen we verder in die acte dan zien we dat de gift tot in detail wordt omschreven: ….., dat Slot, Land en Heerlichkeit van Leerdam en van der Leede met allen sijnen rechte Vrijheiden, Dorpen, Kerken, kerkgiften, Leenen en Leenmannen, Thollen, Thienden, Thijns, enz….

Dan volgt: dat Sr. Frederik en zijne erven de genoemde goederen met toebehoren niets daarvan uitgezonderd erfelijk en eeuwig als Vrijheer zullen bezitten, behoudens dat Leerdam, enz. altijd een onversterfelijk leen van Holland zal blijven.

Verder beveelt zij in die akte dat de drost, schout en burgerij van Leerdam de heer Frederik van Egmond als heer moeten erkennen en trouw te zweren. Ook ontslaat zij de drost, enz. van de eed die zij aan haar vader hebben afgelegd.

 

Het zal er dus naar uit dat Frederik het erfgoed van Jan van Arkel nu in zijn bezit zou krijgen. Als hij dat gedacht heeft, heeft hij buiten de waard gerekend. De giftebrief moet eerst nog naar de Rekenkamer in ’s-Gravenhage om te worden bezegeld en de heerlijkheid Leerdam moest als leen van Holland worden ingeschreven in het betreffende leenregister. Zolang deze handelingen niet waren verricht was de giftebrief niet rechtsgeldig.

 

Toen de heren van de rekenkamer kennis namen van de inhoud van de bief besloten zij onmiddellijk dat van bezegeling en registratie geen sprake kon zijn. Niet alleen de Rekenkamer, maar ook de Grote Raad te Mechelen kwam met een negatief oordeel.

Eerst moest worden vastgesteld of Maria wel het recht had Leerdam aan Frederik in leen te geven en ten tweede moest Frederik maar eens aantonen dat Maria hem zoveel schuldig was. Dat was dus een tegenslag, zowel voor Maria als voor Frederik.

Omdat het onderzoek enige tijd zou vergen, benoemde Maria in mei 1477 Frederik tot kapitein, kastelein, droist en rentmeester van Leerdam.

Als Maria op 19 augustus 1477 te Gent in het huwelijk treedt met de zoon van Frederik III Roomskoning en keizer, de aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk, krijgt Frederik van Egmond ook met hem te maken. Frederik weet spoedig het vertrouwen van Maximiliaan te winnen en er ontstaat een zeer goede verhouding tussen hen.

Dat blijkt als Maximiliaan op 14 oktober 1477 aan de Rekenkamer een brief schrijft waarin hij mededeelt dat hij aan Frederik 6000 cronen schuldig is en dat hij hem daarvoor Leerdam als onderpand heeft gegeven.

 

Het kapiteinschap, enz. van Leerdam verloopt ook niet zo vlot voor Frederik. Die functie werd daar nog waargenomen door de door Karel de Stoute aangestelde kapitein Arnt, de bastaard van IJsselstein. Hij en de burgemeesters weigerden de stad aan Frederik over te geven.

Het wordt een rechtszaak. Op 18 november 1477 doet het Hof van Holland uitspraak in deze zaak en geeft aan Arnt van IJsselstein en de burgemeesters en schepenen van Leerdam bevel slot en land open te stellen voor Frederik van Egfmond en hem te erkennen als kapitein, kastelein, drost en rentmeester van Leerdam.

 

Op 3 december van dat jaar kwamen Frederik en Arnt tot overeenstemming over de ontruiming. Arnt krijgt vrijgeleide voor hem en zijn manschappen om het land te verlaten. Arnt krijgt bovendien 5 pond Vlaams als vergoeding voor de onderhoudskosten van het slot. Eindelijk is Frederik in het fel begeerde Leerdam.

 

Nu nog de giftebrief. Hij schrijft aan de Rekenkamer dat hij thans aan alle voorwaarden ter verkrijging van die brief, zowel door de Rekenkamer als door de Grote Raad te Mechelen gesteld, heeft voldaan en verzocht die brief nu te mogen ontvangen.

De Rekenkamer heeft de brief inmiddels wel bezegeld, doch blijft de afgifte daarvan traineren. De brief blijft onder berusting van die kamer.

 

Intussen zijn er weer eens moeilijkheden ontstaan in Gelre. Hertog Adolf was op 22 juli 1477 overleden en de Staten van Gelre hadden zijn nog miderjarige zoon Karel tot hertog van Gelre uitgeroepen. Dat was niet naar de zin van Maximiliaan. Het gevolg was een oorlog tussen hem en Gelre.

Het lag voor de hand dat Frederik daaraan deelnam. Uiteraard aan de zijde van Maximiliaan. Het geluk liet Frederik deze keer in de steek. Hij werd door de Geldersen gevangen genomen en in hget Valkhof te Nijmegen opgesloten. Zij gevangenschap zou 3 jaar duren.

De Geldersen maakten van de gelegenheid gebruik om Leerdam te veroveren en daardoor was Leerdam weer een deel van Gelre. Dit had tot gevolg dat die stad hertog Karel van Gelre moest huldigen en trouw zweren. Die hertog was echter nog minderjarig. Hij was in 1467 op 9 november te Grave geboren. Bovendien was hij indertijd door Karel de Stoute bij de verovering van Arnhem met zijn zuster Phillipa gevangen genomen en naar Gent overgebracht. Beide kregen daar een uitstekende opvoeding, maar bleven onder de hoede van Karel en later onder die van Maximiliaan.

 

Bij Maximiliaans kroning tot Roomskoning op 9 april 1486 te Aken, sloeg hij Karel tot ridder. Toen Frederik in 1482 vrij kwam, drong hij bij Maximiliaan aan op herstel van zijn ambten in Leerdam. Dit gebeurde op 4 juli 1482 met medewerking van de heer van Cuylenburg.

Maria heeft dat niet meer beleefd. Zij was tengevolge van een ongeval tijdens een jachtpartij, haar paard struikelde, zo ernstig gewond geraakt, dat zij daar op 27 maart 1482 aan overleed. Maximiliaan was haar enige erfgenaam. Frederik bleef in de gunst van Maximiliaan. Toen de vader van Frederik, Willem van Egmond overleed, werd hij door Maximiliaan als opvolger van zijn vader tot satdhouder van Utrecht benoemd.

Het was daar echter geen pais en vree. De bisschop van Utrecht, David van Bourgondië, een bastaard zoon van Philips de Goede, had het moeilijk met o.a. de burgers van Utrecht. Frederik bood zijn hulp aan, die dankbaar door de bisschop werd aanvaard.

Eerst werd met zijn hulp de Amersfoorters beslissend verslagen en in dat zelfde jaar (1483) werd Utrecht door het onder opperbevel van Frederik staande leger ingenomen. Vervolgens kwam hij Maximiliaan te hulp bij zijn strijd in Vlaanderen.

Wellicht doordat Frederik geheel door die oorlog in beslag werd genomen, was hij niet in de gelegenheid de Rekenkamer tot het afgeven van de giftebrief te bewegen.

De verstandhouding met Maximiliaan was nog beter geworden. Maximiliaan had Frederik tot zijn kamerling (kamerheer) benoemd.

 

In 1487, toen de felheid van de srijd luwde, bracht Frederik de afgifte van de brief weer ter sprake. Het gevolg was dat Maximiliaan vanuit Brugge op 10 juni 1487 een brief naar de Rekenkamer te ’s-Gravenhage deed uitgaan waarin hij verzocht n.a.v. het verzoek van zijn kamerling de heer Van IJsselstein om de Rekenkamer te gelasten hem een zekere brief over Leerdam te verstrekken, hem inlichtingen te geven over de inhoud van die brief. De Rekenkamer antwoordde dat de afgifte van die brief op bezwaren stuitte.

 

Toen op 1 mei 1488 een verbond met de Vlamingen werd gesloten en de vrede in deze gewesten was weergekeerd, schreef Maximiliaan vanuit Hulst weer een brief naar de Rekenkamer in ’s-Gravenhage. Daar stond o.m. in dat de heer van IJsselstein de brief dringend nodig had, dat hij de leden van de Rekenkamer "scherpelijk" beval die brief aan de heer van IJsselstein te geven en dat zij niet meer met uitvluchten moesten trachten dit uit te stellen.

 

De leden van de Rekenkamer voelden dat het nu ernst was. Toch wilden zij nog een laatste poging doen om het afgeven van die brief te voorkomen. Zij besloten de klerk, Willem van der Does, met de brief naar het legerkamp bij Dendermonde te zenden, waar Maximiliaan zou zijn. Van der Does moest, alvorens de brief aan Frederik te geven, eerst de bezwaren van de Rekenkamer tegen de afgifte van die brief nog eens aan Maximiliaan ter kennis brengen, in de hoop, hem te bewegen alsnog af te zien van het afgeven van de brief aan Frederik. Helaas voor Van der Does was, toen hij in het kamp arriveerde, Maximiliaan niet aanwezig. Van der Does besloot zijn terugkomst in het kamp af te wachten.

 

Frederik, die wel in het kamp aanwezig was, hoorde van de aankomst van Van der Does en van het doel daarvan. Hij rook zijn kans. Hij ging naar de tent waarin Van der Does zich ophield en vroeg inzage van de betrokken brief. Van der Does, wellicht geïmponeerd door Frederik, gaf hem de brief en Frederik nam kennis van de inhoud. Toen hij hem had gelezen, zei hij tegen Van der Does dat de brief in orde was en stak vervolgens, tot ontsteltenis van de klerk, de brief bij zich en verliet de tent, Van der Does in ontreddering achterlatend. Er zat voor hem niets anders op dan naar Den Haag terug te keren en een uitvoerig rapport over de gebeurtenissen te schrijven.

 

Toen Maximiliaan in het kamp was teruggekeerd, vertelde Frederik hem hoe hij in het bezit van de brief was gekomen. Maximiliaan keurde zijn handelwijze goed. Zo kwam dan eindelijk na ongeveer 11 jaar Frederik in het bezit van de bezegelde giftebrief van Maria, waardoor hij Vrijheer van Leerdam werd.

 

Frederik schreef daarna een brief naar de Rekenkamer, waarin hij op "hooge" toon uiting gaf aan zijn misnoegen omtrent het traineren van het afgeven van de brief. Blijkbaar voelde hij zich nu sterk genoeg om zijn ergernis tegen de heren van de Rekenkamer te uiten over het jarenlang slepende houden van het tijdstip van het geven van de giftebrief.

 

De heren van die kamer waren kennelijk niet onder de indruk van zijn brief, want zij bleven hem dwars zitten, zoals hij zou merken. De giftebrief hield o.a. in dat Frederik Leerdam in leen had gekregen. Dat hield ook in dat dit leen moest worden ingeschreven in het leenregister van Holland, waarna Frederik met dat leen zou worden beleend (een verlei). De heren van de Rekenkamer echter besloten te proberen die inschrijving te voorkomen. Dientengevolge heeft het Frederik veel tijd en moeite gekost om Leerdam in dat register te doen opnemen.

Uiteindelijk kreeg Floris van IJsselstein als gemachtigde van zijn zieke vader Frederik van Egmond op 27 juni 1484 van Maximiliaan en zijn zoon Philips, aartshertog van Oostenrijk, Leerdam en het land van der Lede als erfelijk leen, zoals de giftebrief inhield. Eerst nu was Leerdam enz. geheel regulair in handen van Frederik en was Leerdam, behoudens de leenroerigheid, een vrije, onafhankelijke, heerlijkheid.

 

Frederik was door dit alles geen uitgeblust man geworden. Toen er in de jaren ’90 opnieuw troebelen in Gelre waren, was ook hij weer present. In 1497 trok hij met zijn leger plunderend en brandschattend door de Tielerwaard om zo de Geldersen op de knieën te krijgen. Tijdens die strijd werd Leerdam in 1497 door de Gelderse troepen bezet. Lang duurde deze bezetting niet. De hertog van Saxen verscheen met zijn troepen voor de poorten van Leerdam en dwong de Geldersen tot overgave. De strijd in Gelre duurde nog enige jaren voort, maar tenslotte moesten de Geldersen het opgeven.

 

Voor Frederik is er een beloning voor zijn belangrijke steun aan Maximiliaan. Op 24 juni 1498 verheft Maximiliaan de heerlijkheden Buren en Leerdam tot Graafschap. De oorkonde van die verheffing berust waarschijnlijk nog in het gemeente-archief van Buren. Deze is te wijdlopig om hier in haar geheel te laten volgen, maar enige delen daaruit wil ik u niet onthouden. Zij vangt aan met:

 

"Wij, Maximiliaan, van Godes genade Roomskoning, tot aller tijden vermeerder des Rijks tot Hongarije, Dalmatië, Kroatië en koning-aartshertog van Oostenrijk…." en zo volgen er nog vele titels. Dan komt dat het ook zijn taak is de verdiensten van de edele geslachten te belonen door ze tot meer waardigheid te verhogen.

 

Dat de Roomskoning aan Frederik van Egmond en zijn "echtelijk lijfs erven" de bijzondere genade heeft gedaan de beide heerlijkheden Buren en Leerdam, met al hun toebehoren, voor zoverre die eertijds graafschappen zijn geweest en waren, tot eendere graafschappen van het Heilige Rijk opnieuw te verheffen en dat Frederik van Egmond en zijn wettige zonen en dochters de titel van graaf c.q. gravin in het Heilige Rijk hebben.

 

Het lijkt goed op één zinsnede in de op 24 juni 1498 te Frijburg gedateerde oorkonde terug te komen, namelijk dat Buren en Leerdam eertijds graafschappen zijn geweest. Dat is een opmerkelijke zin. Leerdam en voor zover ik weet ook Buren zijn voor de verheffing nooit graafschappen geweest. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat beide heerlijkheden ooit deel van het graafschap Teisterband zijn geweest.

 

De jaren gingen ook bij Frederik tellen. Hij was 58 jaar en had vele enerverende jaren achter de rug. Zij hadden veel van zijn krachten gevergd. Hij trok zich uit het woelige leven terug en liet het voeren van de oorlog aam zijn zoon Floris over.

 

Op 28 september 1502 vergunt Maximiliaan aan Frederik van Egmond, graaf van Buren en Leerdam, guldens te slaan van hetzelfde gehalte en gewicht als die van de keurvorsten aan de Rijn en ook zilveren hele, halve en dubbele stuivers als die van Philips, aartshertog van Oostenrijk. Op de ene zijde daarvan de beeldenaar van Johannes de Doper en op de andere zijde het wapen van Buren.

 

Frederik hield zich kennelijk bezig met het beheer van zijn goederen. Het recht om geld te slaan leverde ook in die tijd al voordelen op. Maar ook op andere wijze toonde hij belangstelling voor zijn bezittingen.

 

Zo schonk hij blijkens een akte d.d. 5 oktober 1509 de hoogtienden van twee blokken land, gelegen op de polder Hoog-Oosterwijk, aan de kerk te Leerdam onder voorwaarde dat voortaan elk jaar binnen die kerk een eeuwige, zingende memorie zal plaatsvinden ter gedachtenis aan de "Edelen waelgeboren Heer Johan van Arkel saliger gedachten, dije binnen onser Kerkcken van Leerdam voornt begraven leijt…." Bij die memorie moesten kaarsen worden geplaatst op de hoeken van de grafzerk van Jan van Arkel. Ook moesten levensmiddelen worden uitgedeeld aan de armen van Leerdam.

 

Hoe is deze belangstelling van Frederik voor zijn overgrootvader te verklaren? Te meer omdat er geen aanwijzingen zijn dat zijn vader en zijn grootvader ooit aandacht hebben gehad voor het graf van Jan van Arkel of voor zijn nagedachtenis. Het lijkt niet zo moeiljk daar een verklaring voor te geven. Zijn vader en zijn grootvader waren kapitein, drost, enz. van Leerdam. Dat wil zeggen: zij moesten Leerdam voor de heer van Leerdam, Philips van Bourgondië en later Maximiliaan van Oostenrijk, bewaren. Frederik was Vrijheer van Leerdam geworden en daarmee patroon van de kerk te Leerdam. Hij had daarvoor het recht verworven zich met de kerk en met de pastoor te bemoeien. Het patroonschap hield ook zorg voor de kerk, niet alleen maar voor de bouw, maar ook voor het onderhoud en de eventuele vergroting van de kerk, in. Dat recht hadden zijn vader en zijn grootvader niet.

 

Er is mij wel eens verteld dat de oostelijke zijbeuk van de kerk (het hoogkoor) in het begin van de 16e eeuw zou zijn gebouwd. Als dat zo is, ligt de conclusie voor de hand dat Frederik het hoogkoor heeft laten bouwen. Toen de kerk klaar was, moest deze opnieuw worden gewijd. Wellicht heeft Frederik bij die gelegenheid de hoogtienden aan de kerk geschonken om de gedachtenis aan Jan van Arkel levend te houden.

 

Er komt nog een gedachte op ter oplossing van de vraag aan wie de kerk gewijd was. Er zijn aanwijzingen dat de kerk oorspronkelijk aan St. Catharina werd gewijd; later was dat aan de heilige Moeder Gods. Het is mogelijk dat deze wisseling plaats vond bij de ingebruikneming (inwijding) van de kerk na de bouw van het hoogkoor.

 

Waarom deze wisseling? Misschien ligt de oorzaak in een plaats gehad hebbende gebeurtenis, één van de mirakels, die vooral in die tijd zouden hebben plaatsgevonden. Zo’n mirakel was dan dikwijls aanleiding tot het bouwen van een kerk of kapel, c.q. het houden van een jaarlijkse processie. Wellicht is dat de verklaring voor de processie die jaarlijks (tot de hervorming) vanuit Ackoy naar de kerk van de heilige Moeder Gods in Leerdam trok. Hopelijk worden er nog archivalia gevonden die licht op één en ander werpen.

 

Frederik leefde in een zeer roerige tijd. Voortdurend waren er oorlogen. Hij heeft ruimschoots zijn deel daarvan gehad en zijn kansen goed benut. Niet alleen dat hij Leerdam in bezit wist te krijgen, maar hij zag zich ook tot graaf verheven.

 

Zijn broeder Jan had dezelfde waardigheid gekregen. Diens tweede zoon, Lamoraal, vormde samen met Willem van Oranje en de graaf van Hoorne het driemanschap, dat zich tegen Philips II verzette, wat Lamoraal en de graaf van Hoorne op 5 juni 1568 het hoofd kostte.

 

Frederik had de in onze oren niet zo fraai klinkende bijnaam "Schele Gijs". Ik betwijfel het of deze bijnaam iets met de stand van zijn ogen had te maken, want dan had "Schele Freek" eerder voor de hand gelegen. Ik veronderstel eerder dat die bijnaam had te maken met zijn karakter, handigheid of intelligentie.

 

Frederik was ook Heer van Sint Maartensdijk. In het stadhuis hing in de vorige eeuw een geschilderd portret van hem. Als dat portret nog aanwezig is, zou vanuit de vereniging een poging kunnen worden gedaan om in het bezit van een afbeelding van de eerste graaf van Leerdam te komen.

 

Zijn zoon Floris volgde hem op. Ook hij zou een belangrijke rol gaan spelen in de geschiedenis van ons land.

 

In 1521 overlijdt Frederik, na ongeveer 9 jaar dement te zijn geweest. Hij wordt te IJsselstein in de kerk naast zijn eerste vrouw begraven.

 

E.J.C. de Veer

 

Jaargang 10 no. 1

Jaargang 10 no. 2