EEN DIEFSTAL IN 1805

 

 

 

 

Maaike den Hartog, ook wel genoemd Maaij met de baard of Rooie Maaij, was met ruzie thuis weggelopen. Ze was gaan bedelen en zwerven.

Als ze op een boerderij geen spijs of drank kreeg, dreigde ze met brandstichting. Ze was echt ondeugend. Bij Coen van de Koppel op het Gorcumse huis, waar ze in de schuur mocht slapen, had ze de vloer bevuild, alleen omdat ze ’s avonds geen pap gekregen had. Verder had ze een paar klompen meegenomen voor zichzelf en twee vrouwenhoeden, die ze ten eigen bate had verkocht.

In april 1804 had ze in de hooiberg van Herbert van de Koppel, die op het Zand, dus onder Schoonrewoerd woonde, mogen slapen. Daar had ze een bergkleed gestolen. De helft hiervan had ze in Culemborg verkocht en van de andere helft had ze een voorschoot gemaakt. Ook had ze een glasgordijntje gestolen en dat als halsdoek gebruikt. Later had ze kleren, die buiten te drogen hingen, gestolen en verkocht.

Samen had ze met Jan de Jager, ook wel kromme Jan genoemd, in het Recht van Ter Leede in een hooiberg geslapen en toen had Jan een mansbroek gestolen en die zelf aangetrokken. Daar had ze ook een deken gestolen en die voor 6 stuivers ergens anders verkocht.

In augustus 1805 was ze weer aan de Diefdijk gesignaleerd. Daar had ze aardappels uit de grond gehaald en die opgegeten. Bij Gerrit Verrips in het Alblasserwaardshuis had ze de wortels uit de moestuin gehaald met een krop sla en wat uien.

Enige dagen later op de hofstede van Herbert Middelkoop aan de Kerkweg gekomen, had men haar dar weggejaagd. Toen had ze weer met brandstichting gedreigd, maar ze was gegrepen en aan de justitie overgeleverd.

Deze onderzocht al haar diefstallen en had haar overgedragen aan het Hof van Justitie te Utrecht, omdat ze daar ook gebedeld had, enz. Dit Hof veroordeelde haar tot geseling en verbanning. Weliswaar was ze niet gegeseld, omdat ze zwanger bleek, maar wel was ze uit Utrecht en Holland gebannen. Wat er verder met haar gebeurd is, stond in de archieven niet vermeld.

Dit geval tekent ons wel de last, die men in die dagen op het platteland van de bedelaars had. Geen wonder, dat men na de Franse tijd de bedelaars naar de Ommerschans zond en ze daar leerde werken.

 

R. v.d. Berg

 

Jaargang 3 nr. 5