DE POLDER DE GEEREN

 

 

 

 

 

Van Holland naar Gelderland

De buitenpolder ‘De Geeren’ lag ‘… ten noorden, oosten en zuiden aan de Culemborgse Vliet, ten westen aan de grensscheiding tusschen de provinciën Zuid-Holland en Gelderland… (1)

 

Dit is een zeer summiere beschrijving voor de eens Hollandse later Gelderse polder. Als we kijken naar een oudere beschrijving, krijgen we iets meer informatie. (2)

"De Geeren of De Geer, gemeente Beesd, dorp Acquoy, belend W. de Vijfheerenlanden in Zuid-Holland, Culemborg en Acquoy: groot bunder 70.70.04. De dijk langs den Culemburgschen molenviet - ten westen loopt de Diefdijk - heeft eene lengte van El 334 en eene hoogte van El 1.46 Asperensche peil, welke onderhouden wordt door b(under) 51.98, van ouds daarmede belast".

 

De polder was in feite een smalle strook gelegen tussen de Diefdijk en de Culemborgse Vliet en zich van de Zonsbrug over dezelfde vliet gelegen tegenover de oostzijde van Kortgerecht zuidwaarts uitstrekte tot tegenover het oostelijk uiteinde van de Donkere kade tussen Nieuw- en Oud-Schaayk.

 

Overgang naar Gelderland

De Gelderse buitenpolder De Geeren werd aanvankelijk tot de Vijf-Heerenlanden, dus de provincie Zuid-Holland, gerekend. De polder maakte hierbij deel uit van het graafschap Leerdam, het zogenaamde platteland van Leerdam. Er was voor Leerdam een polderbestuur, ook wel genaamd ’s Lands van Ter Leede, wat naast de drossaard van Leerdam ondermeer bestond uit twee waardslieden of Lage of Kroosheemraden voor De Geeren.

 

In begin 19e eeuw werd de samenstelling van dit polderbestuur gewijzigd. Naast een shcout, een waardsman-generaal, een secretairs en een ontvanger nam ook een waardsman voor De Geeren hierin zitting.

De wet van 27 april 1820 (staatsblad no. 12) bracht verandering in deze situatie. De Diefdijk werd nu als grens tussen de provincies Gelderland en Zuid-Holland aangewezen, De Diefdijk zelf werd Hollands grondgebied. De polder ‘De Geeren’ werd als waterstaatkundige eenheid Gelders. Tot het grondgebied van de polder werd ook een gedeelte van het wiel genaamd de Kruithof of het wiel van Bassa - aan de oostzijde van de oorspronkelijke hoofdrichting van de Diefdijk gelegen - gerekend. Dit wiel was ontstaan bij de dijkdoorbraak van 1581; als gevolg hiervan ontstond een onderbreking van de oorspronkelijke hoofdrichting van de Diefdijk (noord/noordoost – zuid/zuidwest). Doordat het Kruithof op Hollands grondgebied lag, was sprake van een gedeelde territoriale eenheid, zowel Hollands als Gelders.

 

Pogingen van de gemeenten Leerdam en Schoonrewoerd in 1821 de overgang van De Geeren naar Gelderland te voorkomen mislukten. Het Koninklijk Besluit van 27 mei 1824 no. 62 liet hierover geen misverstand bestaan, de bestaande gemeentegrenzen weren gehandhaafd.

 

Het besluit van Provinciale Staten van Gelderland van 28 juli 1857 no. 8 bracht deze polder bij het Reglement op het beheer der Rivierpolder in Gelderland in de staat B onder. Dit hield in dat De Geeren geen onderdeel van een polderdistrict uitmaakte; later duidde men dit soort polders als buitenpolder aan. Het grondgebied werd aangeduid als liggende langs de Diefdijk in de Gelderse gemeente Beesd.

Er werd echter voorbij gegaan dat een deel van de polder - het Kruithof - in een andere provincie lag, te weten Zuid-Holland. Het Koninklijk Besluit van 25 september 1857 no. 22 onthield dan ook goedkeuring ook goedkeuring aan het provinciale besluit. Beide provincies werden op deze wijze gedwongen tot samenwerking c.q. gezamenlijk overleg. In 1858 werd een ontwerpbesluit aan de Provinciale Staten van Zuid-Holland en Gelderland aangeboden. Doordat aan Gelderse zijde zowel in de aanhef als in de ondertekening een wijziging werd aangebracht, in die zin dat alleen door Provinciale Staten van Gelderland het besluit werd genomen, ontstonden nieuwe problemen. Ook Zuid-Holland paste haar besluit aan, maar vroeg tevens aan de Kroon een uitspraak te doen hoe de redactie van besluiten genomen door meerdere provincies in gemeenschappelijke belangen gesteld diende te zijn. Het antwoord van de Kroon was duidelijk, bij K.B. van 2 augustus no. 63 werden beide besluiten niet goedgekeurd. Ondanks een gelijkluidende inhoud waren de besluiten afkomstig van twee provincies, dus afzonderlijke besluiten en op basis van de Provinciewet, was het niet toegestaan dat een provincie bij gemeenschappelijke belangen een afzonderlijk besluit nam, van kracht voor meerdere provincies. Nadat hieraan was voldaan werd bij K.B. van 1 december 1858 no. 111 dit gemeenschappelijk besluit alsnog goedgekeurd. Doordat het gedeelte grondgebied waarin het Kruithof lag, overgedragen werd aan de polder Oud- en Nieuw-Schaayk en Kortgerecht, was nu ook sprake van territoriale eenheid. (3)

Om een beeld te krijgen hoe binnen de Gelderse Staten gesproken en gedacht werd over de overgang van De Geeren naar Gelderland is gebruik gemaakt van de notulen van de vergaderingen in 1857.

Op 7 juli bracht Gedeputeerde Staten verslag uit over de ontwikkelingen rond de polders Asperen, De Geeren, Heukelum en Spijk. Op dat moment was het Zuid-Hollandse bestuur nog steeds belast met het toezicht op deze polderbesturen. Dit was historische gegroeid zo schreef men. Ook de herziening van het vorige rivierpolderreglement had hierin geen verandering gebracht. Nu bestond wel die mogelijkheid. Met hun ambtgenoten in Zuid-Holland was veelvuldig overleg gepleegd. Geheel onbevooroordeeld was men niet. Vanuit Zuid-Holland was zonder enig overleg te plegen het Zuid-Hollandse gedeelte van de Goilberdinger- en Everdingerwaarden bij het hoogheemraadschap der Vijfheerenlanden ingelijfd. Nu werd wel om overleg voor wat betreft het Gelders gedeelte gevraagd. Omdat men vanuit Gelderland de mening was toegedaan, dat het van belang was de polders Asperen, Heukelum en Spijk onder het toezicht van het polderdistrict Tielerwaard te brengen, besloot men "eene zelfstandige stelling" in te nemen. Voor wat betreft de kwestie De Geeren verwees men dan ook naar de procedure gevolgd bij bovengenoemde drie polders.

Wel gaf men toe dat voor wat betreft De Geeren de situatie geheel anders lag. Uitgezonderd het wiel, lag deze polder geheel op Gelders grondgebied. Dit wiel afgescheiden door de Diefdijk van het overgrote deel van de polder waterde af in de polders Kortgerecht en Nieuw-Schaayk. Voor het overige werd geconstateerd dat de enigste relatie tussen de polders De Geeren en de provincie Zuid-Holland bestond uit het met de Leerdamse polders voeren van een gemeenschappelijk beheer. Het Gelders college merkte dan ook op dat "die band behoort te worden verbroken. Hij is alleen zijn oorsprong verschuldigd aan de oude grensbepaling van het graafschap Leerdam; doch er bestaat geene enkele reden, dan alleenlijk in zoover ene beheer in gemeenschap met andere polders voor den polder De Geeren welligt iets minder kostbaar is, om hem in stand te houden". Uitgezonderd de paar door de Diefdijk afgesneden bunders lag de polder in Gelderland. "Het zou naar ons inzien eene zonderlinge afwijking zijn, die buitendien van allen grond ontbloot is. Om het beheer van eenen alzoo binnen de provincie gelegen polder bij eene naburige provincie te bestendigen". Zuid-Holland zag het anders. Een vergadering van de ingelanden op 29 april 1857 stemde echter bij meerderheid van stemmen voor overgang naar Gelderland. Ook binnen de Provinciale Staten van Gelderland meende men dat De Geeren Gelders moest worden. Dat de meeste geerfden in Zuid-Holland woonden, werd terzijde geschoven. Uiteindelijk stemden 24 leden voor en 8 leden tegen.

 

Financiën

Totdat een eigen polderbestuur benoemd was, behoorde het beheer over de inkomsten en uitgaven toe aan de polders onder Leerdam.

 

Viel De Geeren nu onder Gelders toezicht, oude aangegane verplichtingen bleven van kracht. Zo diende men nog steeds bij te dragen in de aflossing van een met de polders onder Leerdam in 1786 uitgegeven obligatielening. (4)

De Geeren was voor circa 1/43, 4/5 deel belast in deze obligatie van 40.000 (40 aandelen à 1.000 ) In 1862 kocht men voor 685,- het verschuldigde aandeel af. Dit werd beschouwd als oneigenlijke polderlasten. Het buitengedijkte wiel werd niet aangeslagen in de eigenlijke polderlasten. Het lag niet in de polder en leverde geen vruchten op.

 

Bestuurssamenstelling

Op 13 juli 1859 besloot het College van Provinciale Staten van Gelderland dat De Geeren aangewezen werd als buitenpolder, of te wel niet behorende tot een polderdistrict. Het aantal poldermeesters werd op twee bepaald. Een commissie bestaande uit twee geerfden dienden de geerfdendag bijeen te roepen en een één van de twee commissieleden moesten de vergadering voorzitten. In principe was deze geerfdendag alleen bestemd voor het opstellen van de voordrachten voor de poldermeesters. Door Gedeputeerde Staten werd op voordracht van het college van burgemeester en wethouders van Beesd de eerste poldermeesters, secretaris en ontvanger benoemd. Pas op 1862 ten huize van Arnoldus van Vliet te Schoonrewoerd vond de vergadering plaats waarop gekozen werd voor een ontvanger. Uit de drie kandidaten wonende te Schoonrewoerd en Leerdam werd Arie Willem de Leeuw gekozen. Hij werd tevens voorgedragen als secretaris en door Gedeputeerde Staten als zodanig benoemd met een jaarsalaris van f 10,-. Op dat moment bestond het bestuur uit Jan Verrips, voorzitter, en Jakob Zijderveld. Verrips werd na voordracht benoemd tot poldermeester met een jaarlijks salaris van f 5,-.

 

Uitwatering

De polder De Geeren waterde via de Culemborgse Vliet af op de Linge. Dit gaf geregeld aanleiding tot problemen met de Schout van den Broek van het gemeneland van Culemborg. Haar - dus van De Geeren - watermolen staande tussen de voor- en achtermolens van het gemenland sloeg soms dermate water uit op de Culemborgse Vliet dat het gemeneland niet kon afwateren. Sillevis sprak in 1925 zelfs over ‘… klaploperij op hun (Culemborgse) uitwatering door de Geeren…’(5)

De molen had in 1855 een vlucht van 23.78 meter, het scheprad een middellijn van 4.09 meter, schepen met een breedte van 0.38 meter, hing 0.42 meter onder zomerpeil in het water en maalde 1.73 meter op. De wachtdeur van de krimp of waterleiding belemmerde het terugstromen van het op de Culemborgse Vliet opgemaalde water. In 1855 luidde het dat dit opgemaalde water grotendeels kwelwater was, afkomstig van dezelfde Culemborgse Vliet wat de reden was dat De Geeren niets behoefde te betalen voor de waterlozing. Iets geheel anders dan wat Sillevis in 1925 beweerde. Wel was men het polderdistrict van Culemborg jaarlijks f 4000,- verschuldigd voor het onderhoud van de Culemborgse voormolen staande aan de Horndijk die de Culemborgse Vliet op de Linge opmaalde.

 

Noten:

Reglement op het beheer der rivierpolders in de provincie Gelderland (ontworpen na de herziening in 1876-1878, blz. 35.

Sloet, baron mr. L.A.J.W.

Notulen van het verhandelde bij de Staten van Gelderland 1856-1857.

Bijdragen tot de kennis van Gelderland. Is. An. Nijhoff en Zoon, Arnhem, 1852-1856.

Teixeira de Mattos, Jhr. L.F.

De Waterkeeringen, waterschappen en Polders van Zuid-Holland. Deel IVVIII. De Waarden (vervolg) ald. II. Het land tusschen Lek en Merwede. Onderafdeling IV. De boezems, waterschappen, polders en gronden in de Vijfheerenlanden. Martinus Nijhof, ’s-Gravenhage, 1931.

Nota van mr. L. Sillevis aan de dijkstoel van het polderdistrict Culemborg betreffende de betaling van polderlasten aan de polder Acquoy. Archief polderdistrict Culemborg na 1838, inv. Nr. 499.

 

Bron:

Archief buitenpolder De Geeren 1859-1955) (streekarchivaat West-Betuwe, lokatie Geldermalsen.

 

R.H.C. van Maanen

 

 

Jaargang 17 nr. 4