DE MEENT

 

 

Als in een echtzaak nieuwe feiten bekend worden kan een vonnis worden herzien. Op deze regel zou ik mij kunnen beroepen, als een lezer mij zou verwijten opnieuw éénzelfde onderwerp aan de orde te stellen. Gelukkig zijn mij nieuwe gegevens bekend en behoef ik van de uitspraken over de Meentpolder in een vorige aflevering tot dusver nog niets te herroepen. Sterker nog, ik vermoed dat het laatste woord over de Meent nog niet is gesproken.

 

Nieuwe gegevens dus! Ik trof ze aan op een bodemkaart uit 1950, opgehangen in het bureau van de ruilverkaveling in Lexmond. Op die kaart staan namelijk een tweetal afgegraven kaden afgebeeld, respectievelijk ter afsluiting van de Meent en van Oud Schaik. Daar dit alles niet geschikt was voor reproductie heb ik ter toelichting de beide kaden ingetekend op een topografische kaart uit 1967, schaal 1 : 50.000. Bij intekening was de vergrotingsfactor 2, zodat het afgebeelde kaartje van een schaal van 1 : 25.000 is.

 

Wat is nu het belang van deze ontdekking? Wanneer zijn deze kaden aangelegd en wat kan hun betekenis geweest zijn? Dateren ze uit een periode van voor de aanleg van de Loosdorpse dijk of uit latere eeuwen? De gedachte aan een waterkering tegen de wateroverlast uit de veenwildernis in het binnengebied van de streek of het afvloeiende water uit de Betuwe ligt wel voor de hand.

 

Dit waterkeringsprobleem werd reeds eerder behandeld door de heer van den Berg in het extra nummer over Klein-Oosterwijk (1983). Het verrassende van bedoelde beschouwing voor mij was de onderlinge samenhang tussen Achterdijk, Bruindelse kade, Loosdorpse dijk en Donkere kade in hun gemeenschappelijk functie ter afscherming van de ontginningen vanuit de oeverwal van de Linge. Het grote verschil in verkavelingsdiepte kan wijzen op grote ouderdom. Voor het vroege ontstaan van deze ontginningen zijn echter meerdere aanwijzingen.

Over de afvoer van het overtollige water zegt schrijver, dat het water door een gat in de Diefweg binnenkwam uit het Culemborgse veld en dan verder werd afgevoerd tussen twee dijkjes, waarvan de resten in 1951 bij karteringswerk zijn teruggevonden. Ten zuiden van de Loosdorpse dijk en ten noorden van de Bruindelse kade werd het dan geleid naar Nieuwland. Een kaartje gaf aan hoe de lezer zich één en ander moest voorstellen. Beide illustraties treft u aan het einde van dit onderwerp aan.

Kan de aanwezigheid van de beide afgegraven kaden ingepast worden in deze zienswijze? Verschillende veronderstellingen zijn mogelijk:

1. de beide kaden zijn te vereenzelvigen met de genoemde dijkjes,

2. de dijkjes houden geen enkel verband met de kaden en hebben in een andere periode hoogstens een soortgelijke functie gehad,

3. de afgegraven kaden zijn aangelegd als noodvoorziening of als reserve ingeval de eerste linie het had, respectievelijk zou hebben begeven,

4. de beide kaden zijn de oorspronkelijke achterkaden van de ontginningen Meent en Schaik en zijn aangelegd in een periode, die wellicht enige eeuwen voorafgaat aan die waarin een begin wordt gemaakt aan de Cope-ontginningen van de veenwildernis, waarvan de Loosdorpse dijk een eerste aanzet kan zijn geweest.

De lezer kan kiezen. De laatste veronderstelling is voor mij de meest aannemelijke en wel op grond van de volgende overwegingen:

a. de volkomen onderlinge aansluiting van de drie kaden tot één systeem, zie tekening,

b. de kruising van dit systeem met de Schaikse weg; juist bij deze kruising verandert de weg van richting,

c. de plaats en ligging van de boerderij Rentmeestershoek krijgt in deze situatie een verklaring.

Misschien vindt u deze overwegingen gezocht? Ik zoek er echter wel een verklaring voor. Ik heb namelijk sterk de indruk dat de beide nu verdwenen kaden één geheel hebben gevormd. Waarom niet? Ze dienden toch als waterkering tegen de overlast van water uit veengebied; dan heeft het geen zin, is het zelfs een bezwaar te worden onderbroken. Pas in latere perioden, als de Cope-ontginningen tot stand zijn gekomen, kan een opening in de kade zin hebben. Trouwens bij die Cope-ontginningen zal het verlengde van de Schaikse weg als ontginningsbasis enigszins een andere richting aannemen.

 

d. de volkomen onderlinge aansluiting van de drie kaden tot één systeem, zie tekening,

e. de kruising van dit systeem met de Schaikse weg; juist bij deze kruising verandert de weg van richting,

f. de plaats en ligging van de boerderij Rentmeestershoek krijgt in deze situatie een verklaring.

Misschien vindt u deze overwegingen gezocht? Ik zoek er echter wel een verklaring voor. Ik heb namelijk sterk de indruk dat de beide nu verdwenen kaden één geheel hebben gevormd. Waarom niet? Ze dienden toch als waterkering tegen de overlast van water uit veengebied; dan heeft het geen zin, is het zelfs een bezwaar te worden onderbroken. Pas in latere perioden, als de Cope-ontginningen tot stand zijn gekomen, kan een opening in de kade zin hebben. Trouwens bij die Cope-ontginningen zal het verlengde van de Schaikse weg als ontginningsbasis enigszins een andere richting aannemen.

 

Ook in het westen sluiten de kaden schijnbaar aanéén, hier is de situatie echter anders door de aanwezigheid van het veenriviertje de Leede. In de tijd voor de ontginningen in het veengebied zal dit watertje het veenwater nog wel naar de Linge hebben vervoerd. Hier zou ook wel een centrale lozing kunnen zijn geweest, zeker als er geen andere plaats van lozing in de verre omtrek valt te bedenken. Zou de naam Loosdorp aldus verklaard kunnen worden? Zouden de veronderstellingen tot hiertoe juist zijn geweest, dan bevinden we ons toch wel in een heel merkwaardig gebied. Ten zuiden van de voormalige kaden een ontginningsgebied dat teruggaat tot voor 1000, terwijl de ontginningen ten noorden ervan pas een paar eeuwen later een aanving namen. Hier ontmoeten de eeuwen elkaar.

 

Welk verband kan er tussen de beide ontginningen onderling hebben bestaan? Het totale gebied zal voor één ontginning te groot zijn geweest. Vermoedelijk zal dan ook een hoogteverschil reden zijn geweest tot een onderlinge scheiding. Landscheidingen, scheisloten en scheidijken zijn dan ook veel voorkomende verschijningen in ontginningsgebieden. Vermoedelijk is de opmerking van wijlen de heer Pellikaan, de oud-burgemeester van Vianen, dat Schaik afgeleid is van scheidijk, dan ook terecht. Gelet op de richting van de verkavelingssloten is Schaik ontgonnen vanuit de oeverwal langs de Linge. Het is natuurlijk de vraag of bewoning op deze wal mogelijk was zonder de aanwezigheid van een dijk. De vraag wanneer de Horndijk is aangelegd is moeilijk te beantwoorden. Op veel plaatsen is ontginning aan de dijkaanleg voorafgegaan; er zijn ook reeds dijken aangelegd onder de Karolingische vorsten. De tijd van aanleg valt misschien niet te achterhalen, de naam misschien wel. De Horndijk moest uiteindelijk de Schaiker-ontginning in het zuiden en oosten beschermen tegen hoog water van Linge en Gelders gebied en was dus een dijk met een grote buiging. Een kenmerk dat aan veel plaatsen de naam Horn, Horne, Hoorn etc. verleende. Het is aannemelijk dat deze ontginning nogal veel wateroverlast zal hebben gehad, ook al door kwelwater. Zoeken we een plaats voor de afvoer ervan, dan lijkt het voor de handliggend aan een vliet te denken langs de scheidijk. Deze vliet moet dan wel het water afvoeren op de Linge. Zou dit de afvoer kunnen zijn die we later terug vinden binnen de muren, die haar naam gaf aan de Vlietskant?

In ben me bewust voor de verschillende veronderstellingen in het voorgaande geen voldoende bewijzen te hebben aangevoerd. Was dat maar mogelijk. Het betreft immers een tijd waarover geen kaartjes en waarschijnlijk ook geen mededelingen zijn nagelaten.

Uit de enkele gegevens uit het landschap en wat overgeleverde namen kunnen we proberen een logisch geheel op te bouwen. Dat is op zichzelf een interessante bezigheid, niet alleen door de ruimte en mogelijkheden, die de schaarse gegevens ons toestaan, maar zeker ook omdat dit alles ten nauwste samenhangt met het ontstaan van Leerdam in zijn meest eenvoudige vorm.

 

Naschrift

De heer E.J.C. de Veer vindt de mening van wijlen de heer Pellikaan, dat Schaik afgeleid zou zijn van Scheidijk, onjuist. In elk etymologisch woordenboek kan de juiste afleiding worden gevonden, namelijk Schadewijk. Ten overvloede voor degene, die toch nog mocht twijfelen aan de juistheid daarvan, volgt hier een gedeelte van een akte d.d. 8 januari 1392:

"Gherijt Spronc Willemsz en Walich Tymansz heemraden in Ny scadewye oorkonden dat Hermand Doirsvout Rutghersz en zijn vrouw Gheertruyt overdragen aan Jan van Kedichem Jansz, scout te Lederdam ten behoef van de Jonker van Arckel 4 mergen land in Ny scadewye .

(Jaargang 6 nr. 3)

@

De K.

 

Jaargang 6 nr. 1

 

@