DE HEERLIJKHEID OOSTERWIJK

 

 

 

Inleiding

In oude beschrijvingen wordt Oosterwijk herhaaldelijk genoemd als Hoge en Vrije Heerlijkheid. Gezien de samenstelling van het huidige dorp komt dat wat onlogisch over. Oosterwijk was door alle tijden heen een dun bevolkt landbouwdorp.

In 1987 zijn de resten van het voormalige kastel tot op het maaiveld gesloopt; in het kerkgebouw is nog de deksteen van de grafkelder van de familie Van Liere te zien. Wel heel simpele resten van een hoge heerlijkheid.

 

Ontstaan

Het huidige dorp is ontstaan uit een nederzetting in de Karolingische tijd, de tijd waarin ook het leenstelsel zich ontwikkelde. Blijkens scherfvondsten was er ook bewoning in de eerste eeuwen van onze jaartelling, maar daarover is weinig bekend. Met de grote watervloed rond het jaar 300 zullen deze bewoners wel verdreven zijn. Over het ontstaan van het tegenwoordige dorp zijn er geen op schrift gestelde gegevens. Vrijwel zeker is op een hoger deel van de Linge-oeverwal een zogenaamde "buurschap" gevormd waaruit de latere ontginning en de dorpspolder ontstond. Kennelijk waren de mensen van dit buurschap vooruitstrevend want zij namen de eerste ontginning in het zuidelijk deel van de tegenwoordige Vijfheerenlanden ter hand.

 

Leen van het bisdom Utrecht

Zoals gezegd zijn er weinig gegevens over de eerste eeuwen van het buurschap. Zeker is dat het gebied een leen werd van het bisdom Utrecht. Of de ontginning hierdoor bevorderd is, of wel de ontginning er eerst was en daarna onder het bisschoppelijk gezag werd gebracht, is moeilijk te zeggen. Zeker is wel dat één van de belangrijkste werken het maken van de Achterdijk en het graven van de Achterdijkse wetering was. Deze waterkering begon ongeveer waar nu (1989) de boerderij "Ubi bene, ibi patria" staat, liep in oostelijke richting waar nu nog de Bruinsdeelsekade van over is en boog langs het stroomgebied van de Leede naar de Lingestroomrug.

Dit ‘dijken’ was een moeilijk karwei: een ondergrond van veen met een dunne laag zware klei, alles te verwerken met primitieve middelen. Langs de Linge was het wat gemakkelijker. De stroomrug was hier van nature al beduidend hoger en de lichtere klei beter bewerkbaar. In het westen liep de grens even westelijk van de huidige "Essenhoeve" naar de Achterdijk. Hiervan is thans niets meer te vinden. Toen later de polder gezamenlijk met Kedichem het water ging lozen werd een kade hier overbodig. Met de ontginning werden ongeveer 15 hofsteden ingericht elk op 25 à 30 morgen land. Hierop gaan we niet verder in; we schreven daarover reeds eerder.

Waarom nu was die Achterdijk zo belangrijk? Omdat daarachter het onontgonnen boezemland lag, dat diende voor opvang van uit de Betuwe komend opper- en kwelwater en dat gaf in die dagen kennelijk meer zorgen dan het water van de Linge.

Dit veranderde pas toen in de 14e eeuw de Diefdijk werd aangelegd en de Linge meer water moest gaan afvoeren. In 1269 is kennelijk de heer Van Arkel met Oosterwijk beleend. Er is dan namelijk een geschil tussen hem en het kapittel van de Dom te Utrecht over het onderhouden van het kerkgebouw.

In 1297 geeft de Arkelse ambachtsheer aan de ingelanden van Oosterwijk het recht de Achterdijk zelf te onderhouden en stelt daarvoor schouwen vast. Hij spreekt dan van een dijk te houden zo hoog en zo breed als die was ten tijde van zijn vader en grootvader. Ook dat wijst erop dat deze waterkering al heel oud is.

Wat de belening betreft: ook in 1305 werd één van de Arkels beleend met Oosterwijks gebied. Men spreekt dan van belening van ’t Oosterwijkse veld. Dit wijst in de richting dat mogelijk de oude dorpskern niet onder de belening viel of niet tiendplichtig was.

 

Hollands leen

Al in het begin van de 15e eeuw de macht van de Arkels teneinde loopt, is een groot deel van de streek onder gezag van Holland gekomen. Dat geldt ook voor Oosterwijk. In 1407 beleent Willem, graaf van Holland het dorp aan Jan van Herlaar van der Heul. Hij spreekt dan van zijn huis en hofstad staande en gelegen te Oosterwijk met de singelgraven en boomgaarden en met het ambachtheerschap van het dorp met de tienden en met de gift van de kerk en de altaren te Oosterwijk, te houden tot een onsterfelijk leen.

 

Grensgebied

Als we bedenken dat Leerdam een zekere zelfstandigheid bezat en in 1498 graafschap werd en men aan de overzijde van de Linge dicht bij Gelders gebied was, lag Oosterwijk dus aan de uiterste grens van de Hollandse invloedssfeer. Het zal duidelijk zijn dat het voor Holland van belang was hier een steunpunt te hebben.

Dat resulteerde in het belenen aan gezagsgetrouwe Hollandse leenmannen. Helaas hield dat ook in dat Oosterwijk vanuit het Gelderse meermalen geplunderd werd. Tussen 1480 en 1540 was dat minstens viermaal het geval. Als we bedenken dat door het graven van de Middelkoper vliet, op gezag van Otto van Arkel in 1371, het tegenwoordige Klein-Oosterwijk van de heerlijkheid werd afgescheiden en de grens met het latere graafschap welhaast midden door de dorpskern kwam te liggen, kunnen we veilig stellen dat het Oosterwijk niet voor de wind ging. Toen de plunderingen ophielden was er al spoedig de 80-jarige oorlog met inundaties tegen de Spanjaarden wat zeker voor de plattelandsbewoners een bange tijd was.

 

Geslacht Van Liere

Tijdens de 80-jarige oorlog komt de heerlijkheid aan de Van Liere’s, een aanzienlijke familie, die tot 1736 ambachtsheer waren. De meest bekende hiervan was Willem (1588-1649) die meerdere hoge functies bekleedde. Zo was hij gezant te Venetië en ambassadeur in Frankrijk. Hij werd in de grafkelder in het koor van het Oosterwijkse kerkgebouw begraven.

Toen de laatste Van Liere in 1736 overleed zonder wettige kinderen, ging de heerlijkheid over aan de familie de Sadelijn van Langerode.

 

Andere geslachten

Ondanks dat steeds van een hoge en vrije heerlijkheid wordt gesproken, blijft Oosterwijk een klein dorp. In 1627 geeft de schout Nijs Adriaensz op dat er "25 vyrsteden zijn plus 9 van den eersten minheer van Oosterwijk", dus 25 huizen en een kasteel.

Op 1 september 1791 verkoopt Jan Jacob de Sadelijn de hoge heerlijkheid aan mr. Gerrit Willem van Motman, Raad der Prinselijke domeinen te Breda. Er is dan 60 morgen land met "den huijze en hofstede tot Oosterwijk gelegen in den Lande van Arkel, met het kasteel, boerewoning, schuure en berge en verder getimmertens, mitsgaders weijland, hooijland en teelland enz. enz.", voor de somma van elfduizend guldens.

In 1803 verkoopt Van Motman de heerlijkheid aan de heer en vrouwe Van der Burg, ambachtsheer en vrouwe van Ameide. Er is dan 78 morgen land en het geheel brengt f 25.000,-- op.

 

Wisseling van ambachtsheren

In 1814 is mr. P.J. Beelaerts heer van het dorp Oosterwijk. Hij is ook raadslid van de stad Utrecht en gaat daar wonen. Hij geeft het kasteel in bruikleen aan de kerk om het als pastorie te gebruiken.

In 1830 koopt mr. Crommel de heerlijkheid voor f 80.000,--.

In 1856 wordt het kasteel aan de kerk geschonken en spoedig daarna wordt er een deel van afgebroken voor betere bewoonbaarheid voor de dominees.

In 1875 is er weer een wisseling van eigenaar, nu voor f 179.000,-- aan mr. Thieman Janssen, in 1888 Jhr. Prins van Oosterwijk, in 1891 mr. Uytermark Rietveld. Deze overlijdt spoedig en er komt een ambachtsvrouwe: mej. R. de Petit.

Tijdens haar ‘bewind’ werd het tiendrecht beëindigd. Omstreeks 1912 werd het geschat en afgekocht. Schatters waren: A. van Herwaarden te Asperen, A. Kooij te Kedichem en C. Schalk te heukelum.

Hierna volgt nogmaals een ambachtsvrouwe: mej. J.H. de Petit, die ongeveer 50 jaar deze titel voerde. Zij schonk in de twintiger jaren van de 20ste eeuw een kerkorgel aan Oosterwijk en gaf enkele malen alhier een zangrecitel. Ze overlijdt in 1967. Haar erfgenamen droegen de landerijen aan de pachters over voor taxatieprijs en het zogenaamde ‘vrije land’ werd in 1969 door middel van openbare veiling verkocht. Daarmede werd de heerlijkheid Oosterwijk historie.

 

J.D. van der Zalm

 

Jaargang 9 nr. 1

 

@