DE HAVEN VAN LEERDAM

 

 

De haven van Leerdam

 

Eén van de afbeeldingen, opgenomen in de kalender van de historische vereniging voor 1983, geeft een kijkje op de Leerdamse binnenhaven. Bij velen leeft de gedachte , dat de haven, evenals de walmuren, al heel oud moet zijn. Toch is dat niet zo.

We mogen aannemen, dat vóór 1864 nauwelijks iets bestaan heeft, dat de naam haven waardig is. In de uitgave "De oude stadspoorten van Leerdam" van J. Bats en R. v.d. Berg komt op pagina 5 een afbeelding voor van de Steigerpoort uit ongeveer 1600, waarop een smalle aanlegsteiger als pier vooruit steekt in het water.

A. de Wit, een Leerdamse aannemer, die leefde in de achttiende eeuw, schrijft in zijn dagboek:

 

"in hetselve jaar (1767) is de Lingengragt besteed om dan weer onder af te dammen en dat hadden Vervoorn en ik Aalbert de Wit aangenomen voor 650 gulden en toen is ook besteed ’t verdiepen van de gragt en dat had Gerrit van den Heuvel aangenomen voor 6970 gulden, maar hij moest de aarden op de slikken brengen".

 

Men ziet, De Wit spreekt niet van een haven, maar van een gracht.

 

Op een afbeelding op pagina 7 van deze zojuist genoemde uitgave, van een schilderij van C. Springer, die leefde van 1817-1891, is reeds een aanlegkade te onderscheiden, lopend van de Grote Steiger tot aan de eerste waltoren in oostelijke richting. De toegangsweg tot de aanlegsteiger was al in 1766 bestraat. In het bestek voor reparatie en onderhoud van dat jaar wordt onder meer geschreven:

 

"De versakte straet van de Steyger sal moete worde opgebrooke, met sand aangehoogt en weder belegt op sijn kant, vast en gelijk en het tekort koomende bijleveren van harde straetklinkers".

(P.M. van Gent: "Leerdam door de eeuwen heen")

 

Aan het einde van het jaar 1864 delen B & W van Leerdam aan de Raad mede "dat de haven moet worden uitgediept in het belang van de scheepvaart, waaraan meerdere uitbereiding zal moeten worden gegeven ten behoeve van de stoomboot, die met 1 mei a.s. tussen Leerdam en Gorinchem in de vaart zal worden gebracht". De kosten worden berekend op : 1300 ellen grond uitbaggeren à 35 cent per el. De grond kan worden verkocht tegen 15 cent per el. Er wordt voorgesteld, dat de helft van de overblijvende kosten voor rekening komt van de Stoombootmaatschappij. De Raad aanvaardt het desbetreffende voorstel. Uit de omschrijving, dat 1300 ellen grond moet worden uitgebaggerd, kan worden afgeleid, dat de haven in die tijd een lengte van ongeveer 85 meter moet hebben gehad.

November 1876 neemt de Raad wederom een besluit de haven uit te diepen. De haven is zo ondiep, dat een schip van zes voet diepgang niet kan binnenkomen. De kosten worden geraamd op f 340,- Acht jaar later is het weer mis met de diepte van het water. Daar komt echter nog iets bij. Er is veel behoefte aan werk, waardoor de arbeid goedkoop is en daarom stellen B & W op 23 december 1884 de Raad voor de haven te laten uitdiepen. Door het gebrek aan werk zullen de kosten vermoedelijk 30 cent per m3 worden, in plaats van 50 cent. Er moet ongeveer 2000 m3 worden uitgegraven. J. v. Gent blijkt met een bedrag van f 594,- de laagste inschrijver te zijn. Andere inschrijvers waren J. v. Gent Gzn te Leerdam f 974,- en A.J. Bouman, eveneens te Leerdam f 1050,-. De vrees van de wethouder Van Heyningen, dat de Steiger door het uitdiepen gevaar loopt in te storten wordt door de voorzitter en de andere wethouder Grijns niet gedeeld, evenmin als door de gemeentelijke opzichter.

In 1885/86 is de Kleine Steiger aan de oostelijke zijde aan verbetering toe. De beschoeiing wordt vernieuwd en de bestrating opgehaald.

Op 30 juni 1891 verleent de gemeenteraad een crediet van f 450,- tot herstel van de walmuren van de Grote Steiger en het maken van twee konterforten met de nodige fundering onder de konterforten. In die jaren bestond er nog geen rechtstreekse verbinding, geen doorlopende weg dus, van de Grote naar de Kleine Steiger aan de oostelijke havenzijde. Dit blijkt uit een vraag van het raadslid Burgers in de Raadsvergadering van 28 febr. 1895. Hij vraagt dan, of de strook grond tussen de Grote en de Kleine Steiger geschikt zou zijn voor uitbreiding van de steiger. De strook grond blijkt eigendom te zijn van de familie Heebink, die er tijns voor betaalt. De doortrekking is uiteindelijk in het jaar 1915 totstandgekomen. Toen kreeg de haven dus haar huidige vorm.

Het was in de tachtiger jaren van de 19e eeuw niet toegestaan zonder speciale vergunning van de gemeenteraad aan te leggen in de haven. Op 25 sept. 1886 doet de heer Heemskerk, kapitein van de stoomboot "Admiraal Heemskerk", varende van Tricht op Rotterdam, de gemeenteraad een adres toekomen, waarin hij verzoek doet, "dat het de Raad moge behagen het verbod tot het aanleggen der doorvarende stoomboten in te trekken."

Op 19 maart 1886 stellen B&W van Leerdam voor op vermeld verzoek afwijzend te beschikken, doch dat er aan de geopperde bezwaren wel enigszins tegemoet zou kunnen worden gekomen door te bepalen, dat ook doorvarende stoomboten, na verkregen vergunning van de Steiger in de haven gebruik zullen mogen maken. De politie-verordening van de gemeente van 4 sept. 1886 moet om die reden aldus worden gewijzigd:

 

"De stadshaven wordt aangewezen als ligplaats voor alle vaartuigen zonder onderscheid, die korter dan drie achtereenvolgende dagen laden of lossen.

De losplaats aan de Lingendijk is bestemd als ligplaats voor alle vaartuigen.

Burgemeester en Wethouders kunnen aan vaartuigen, bedoeld in alinea 2 van dit artikel, de vergunning geven om in de stadshaven te laden of te lossen. Zij hebben bovendien de bevoegdheid, om aan vaartuigen, bedoeld bij alinea 1 van dit artikel, het aanleggen of liggen in de stadshaven te verbieden".

 

Bij de behandeling van dit voorstel van B&W zijn er verschillende raadsleden, die vrezen, dat door het malen der schroeven de Steiger weer zal gaan verzakken, doch de burgemeester betoogt dat daarvoor geen gevaar bestaat. Het raadslid Koppen zou toch een bepaling gemaakt willen zien, dat de boten achteruit de haven uit zullen varen en zou wensen, dat aan die bepaling streng de hand wordt gehouden. De voorzitter antwoordt, dat in die geest reeds bepalingen zijn vastgesteld. Na enige discussie wordt het voorstel met algemene stemmen aangenomen.

Aan de bepaling, dat schepen achteruit varend de haven moeten verlaten, is goed de hand gehouden. Tot aan de opheffing van de Leerdamse Stoombootmaatschappij in 1934 kon men de schepen van deze maatschappij achteruit varend de haven zien verlaten.

 

Aanleg van Hoofd en losplaats aan Veerdam

In de gewijzigde politieverordening van 1886 is de bepaling opgenomen, dat schepen niet langer dan drie dagen achtereen in de stadshaven mogen liggen. Schepen, die gedurende langere tijd afmeren, moeten dit doen aan de aanlegsteiger aan de Veerdam, ook wel aangeduid als de voormalige Schaikse molenerven.

Deze aanlegplaats is in 1884 aangelegd, maar reeds op 15 mei 1883 richt de directie van de Leerdamse Stoombootmaatschappij het verzoek aan B&W bij de nieuwe aanlegplaats een aanleghoofd te mogen hebben met twee wrijfpalen en een wachthuisje met een loods tot berging van steenkolen. De kosten zijn voor rekening van de maatschappij met uitzondering van de bouwkosten van het wachthuisje. Het verzoek wordt door de Raad ingewilligd en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. In de overeenkomst is vastgelegd, dat de gemeente altijd het recht zal hebben aanleghoofd, bergplaats en wachthuisje voor rekening van de maatschappij mag doen afbreken en aan de grond een andere bestemming geven, mits de maatschappij drie maanden tevoren is gewaarschuwd. Ook zou de gemeente het recht hebben bij ontbinding van de maatschappij of wanneer er geen gebruik gemaakt werd van aanleghoofd, wachthuisje en bergplaats, dit tegen taxatie over te nemen.

 

De gemeente laat intussen bestek en tekeningen voor de aanlegplaats maken. De begroting geeft een bedrag aan van f 1770,-. De kosten voor het bouwen van het wachthuisje zijn geraamd op f 250,- en B&W stellen de raad voor de maatschappij te verzoeken, daarvan de helft voor haar rekening te nemen. De maatschappij gaat hiermede akkoord. Bij brief van 26 nov. 1883 geven de dijkgraaf en hoogheemraden van de Vijfheerenlanden vergunning tot het bouwen van het wachthuisje aan de Veerdam.

Maar dan rijzen er problemen bij de gemeente bij het doen uitvoeren van haar vele voornemens. Eind april 1884 stellen B&W voor de verschillende plannen in zoverre te wijzigen, dat wel de havenwerken worden uitgevoerd, doch de aanlegplaats aan de Veerdam slechts geëffend zal worden tot de overgang naar het tweede molenerf en het wachthuisje niet zal worden gebouwd. Maar ook dat gewijzigde plan gaat niet door. Ook toen al speelde de financiën een grote rol.

Op 19 mei 1884 had de aanbesteding van de havenwerken in de stadshaven, die begroot waren op f 3800,- moeten plaatsvinden. Het gaat echter niet door. De plannen gaan de ijskast in tot het saldo van de gemeenterekening over 1883 bekend zal zijn.

Nauwelijks een dag of tien later deelt de voorzitter aan de Raad mede, dat deze vroeger weliswaar het bestek voor de te maken aanlegplaats aan de Veerdam voor stoomboten heeft goedgekeurd, doch "dat er sedert de opening van de spoorweglijn eene groote verandering gekomen is in de dienst der booten. De kosten daaraan verbonden zouden daarom verminderd kunnen worden. En te dien aanzien wenschen B&W in de volgende vergadering dan ook een voorstel te doen en wel in verband met een gewijzigd plan tot verbetering van de haven".

Op 2 sept. 1884 delen B&W aan de Raad mede, dat "komt in aanmerking het verbeteren der haven, het maken van een aanlegplaats, het bouwen van een brandspuithuis en het bestraten der Bergstraat". Met het oog echter op de voorhanden zijnde middelen stellen B&W voor dit jaar slechts de aanlegplaats in orde te maken, welk werk geraamd is op een som van f 800,- à f 900,-. De heer Donkersloot merkt daarbij op, dat het contract met het polderbestuur van Schaik het gemeentebestuur de verplichting oplegt de aanlegplaats in orde te maken. De Raad neemt het voorstel aan en op 18 sept. 1884 vindt de aanbesteding voor de aanlegplaats aan de voormalige molernerven plaats. Laagste inschrijver is C. van Gent te Leerdam voor f 677,-. Andere inschrijvers waren: H. Pannekoek te Asperen f 773,-, P. Sterk te Spijk f 763,-, C. Streefkerk te Ameijde f 743,-, F. van As te Leerdam f 727,-. K. van Namen te Leerdam f 717,- en E. de Groot te Heukelum f 699,-. Het werk wordt aan C. van Gent gegund, na het verstrekken van een borgstelling.

Nog geen twee jaar later, in 1886, wordt de politieverordening zodanig gewijzigd, dat het schepen wordt toegestaan in de eigenlijke haven voor onbepaalde tijd af te meren. Het aanleghoofd aan de Veerdam is daardoor voor de L.S.M. overbodig geworden en de directie richt dan ook op 7 juni 1886 een adres tot de gemeente om schadeloosstelling voor de gemaakte kosten van aanleghoofd, wachthuisje en kolenbergplaats aan de Veerdam. B&W stellen de Raad voor afwijzend te beschikken op dit verzoek. Het raadslid Hoolboom doet nog het tussenvoorstel het wachthuisje voor rekening van de gemeente aan te kopen en tot bergplaats voor gemeentemateriaal te bestemmen, doch daar zijn zovel gewichtige redenen tegen o.a. van financiële aard, dat B&W geen vrijheid kunnen vinden een daartoe strekkend voorstel te doen. De aderlating van f 250,- voor de aankoop van het wachthuisje was klaarblijkelijk te groot. Met stemonthouding van drie raadsleden, de heren Pelgrim en Donkersloot, beiden directeur van de L.S.M. en Hoolboom, aandeelhouder van de maatschappij, wordt het voorstel aangenomen. Maar men laat de L.S.M. toch niet helemaal in de kou staan en er wordt aan de Raad voorgesteld, het aan de L.S.M. in eigen toebehoorende aanleghoofd voor schepen aan de Veerdam op nader vast te stellen voorwaarden aan te kopen, "op grond dat het in het belang der gemeente wenselijk is, dat er daar een aanleghoofd zij." Dit voorstel wordt met algemene stemmen aangenomen. De koopprijs bedroeg f 212,50.

Van het houten aanleghoofd en de wrijfpalen is heden ten dage vrijwel niets meer over. Wel heeft de gemeente ter plaatse een eenvoudige aanlegsteiger ten dienste van het watertoerisme laten bouwen. Zonder vergunning van de gemeente is het voor schepen thans verboden aan de voormalige ligplaats voor schepen aan te leggen. De oorspronkelijke Veerdam heeft geleidelijk aan de bestemming van parkeerplaats voor auto’s gekregen.

 

K. van Baren

 

Jaargang 3 nr. 1 en 2