DE GRENS TUSSEN LEERDAM EN OOSTERWIJK

 

 

Inleiding

De westelijke grens van Leerdam loopt langs of eigenlijk dwars door Oosterwijk. De gemeentegrens ligt hemelsbreed nauwelijks twee honderd meter vanaf het Oosterwijkse kerkje, dus in wezen in de dorpskern.

We kunnen ons afvragen: "Hoe is dat zo gekomen?" ’t Is namelijk zo, dat Oosterwijk, de oudste nederzetting in het zuidelijk deel van de Vijfheerenlanden, letterlijk in een hoek gedrukt ligt.

 

Oudste bewoning

Zoals gezegd heeft Oosterwijk een zeer oude bewoning gekend. Scherfvondsten geven aan, dat het reeds bestond in de eerste eeuwen van onze jaartelling.

Er zijn scherven te voorschijn gekomen van Gallo-Romeinse oorsprong, wat duidt op contacten van de toenmalige bewoners met de Romeinen.

Omstreeks het jaar 300 zijn deze mensen verdreven of verdronken door een geweldige watervloed en duurt het tot de tiende eeuw aleer hier weer bewoning komt. De streek hier is dan een wildernis, doorsneden door enkele rivieren o.a. de Linge. Op de oever van die Linge komt dan de eerste nederzetting tot stand, die we een buurtschap zouden noemen en van waaruit de streek opnieuw bevolkt wordt.

 

Ontstaan

Waarom ontstond Oosterwijk weer op die Linge-oever? De oplossing van die vraag is niet moeilijk. Die Linge-oever ligt beduidend hoger dan het verderweg liggende land. Men woonde daar tamelijk veilig voor het water, dat in die dagen uiteraard vrij spel had. Dijken waren er nog niet en dat was niet nodig ook. We moeten bedenken, dat in die tijd het peil van de Noordzee gemiddeld een meter lager lag dan nu. De dorpskern van Oosterwijk ligt nu ongeveer 3 m boven N.A.P. en had in die tijd dus niet zo gemakkelijk wateroverlast.

Een andere factor van belang was de gesteldheid van de bodem. Volgens de bodemdeskundigen is de grond in Oosterwijk een zogenaamde "Vóór-Romeinse afzetting", dus grond aanwezig vóór de Romeinse tijd. Deze Vóór-Romeinse grond ligt langs de Linge, te beginnen in het oosten, ongeveer daar, waar nu de glasfabrieken staan. De noordelijke begrenzing loopt nagenoeg evenwijdig aan de tegenwoordige Tiendweg en houdt in het westen op ter hoogte van de hofstede bekend als "’t Bellennest". De grond ten noorden en westen hiervan werd later afgezet, dus na de Romeinse tijd - na de vloed van het jaar 300. In de bodem van dat gebied zijn duidelijk resten te vinden van het toen overspoelde veenbos, waarover daarna een kleilaag werd afgezet.

Het is dus zeker niet toevallig, dat de nederzetting, waar nu Oosterwijk ligt, levensvatbaarheid bleek te bezitten: men woonde op tamelijk hoge, van nature zeer vruchtbare grond.

De nederzetting groeide uit tot een kleine samenleving - een buurtschap - waar een eigen rechtstelsel opgebouwd werd, gevormd en in stand gehouden door de volwassen mannen.

De nazaten hiervan vormden de bewoners van de oudste hofsteden, die op een zeker moment besloten nieuwkomers niet zonder meer tot hun rechtskring toe te laten.

 

 

Ontginning

Het zijn deze mensen geweest, die de ontginning tot stand brachten en waardoor de Oosterwijkse polder ontstond.

De begrenzing van de polder was uiteraard de noordelijke Lingeoever, oostelijk ongeveer de grens van de polder Klein-Oosterwijk, in het noorden de Achterdijk en in het westen de nu nog bekende poldergrens.

Daarachter was het onontgonnen boezemland, dat verbinding had met de kreken, die uitmondden in Lek en Merwede.

Dit boezemland had een zeer belangrijke functie. In tijden van wateroverlast moest hierop al het water uit de Neder-Betuwe afvloeien! Vandaar ook de naam Achterdijk, de achterste dijk van de polder. We kunnen ons voorstellen, dat die Achterdijk bijveel wateraanvoer uit het Gelderse als waterkering moest dienen en ook wel eens overspoeld zal zijn.

Toen in de veertiende eeuw de Diefdijk gelegd werd en het Gelderse water via Linge en Dalemse overlaat afgevoerd kon worden, verbeterde de situatie en kon dit boezemland in cultuur gebracht worden. Toen ontstond de polder Nieuwland.

 

Waterbeheersing

Het ontstaan van de polder Nieuwland betekende voor de polder Oosterwijk, dat zij hun natuurlijke lozing kwijt waren en elders uitwatering moesten zoeken.

Aangenomen wordt, dat men met de inmiddels in het westen ontstane Kedichemse polder ging lozen op de Linge. Daarvoor werd de Broekgraaf gegraven.

In deze dagen woonden er al heel wat mensen in deze contreien en zijn het de heren van Ter Leede en de Arkels, die hier gezag uitoefenden.

Zij onderkenden het belang van de waterbeheersing. Bekend is het verdrag van 1284, waarbij Jan van Arkel en een aantal Utrechtse landheren overeen komen de watergang "De Huibert" te graven.

Voor Oosterwijk is de uitgiftebrief van 28 juni 1371 "opten Saterdach na Sinte Jansdach te Midsomer" belangrijk. Daarbij geeft Otto, heer van Arkel, aan de geërfden van het Lage eind van Middelkoop een watergang door Leerbroek, Bruinsdel en Oosterwijk tot in de Wiel en stelt daarbij voorschriften vast voor de afmetingen van de watergang en de kaden er langs.

Deze beslissing - het maken van de Middelkoper Vliet - heeft voor Oosterwijk verstrekkende gevolgen. De Oosterwijkse polder werd niet alleen in twee stukken gesneden, maar tevens werd later de watergang de grens tussen het Graafschap Leerdam en de Landen van Arkel. Elk deel van de polder kwam qua gezag onder een andere invloedsfeer.

Het oostelijk deel ging waterstaatkundig een zelfstandig bestaan leiden onder de naam: Hoog- of Klein-Oosterwijk. De Broekgraaf was niet langer de Hoofdwatergang. Er werd een nieuwe uitwatering gemaakt naar de Linge, even ten oosten van de huidige Lingestraat, waarop later twee windmolens het water wegdraaiden. Eerst op het einde van de negentiende eeuw, toen de "Verenigde polders" over een stoomgemaal beschikten zijn deze molens buiten gebruik gesteld.

De Middelkoopervliet was toen een "Dove Vliet" geworden, want de Middelkoopervliet had uitwatering gekregen in westelijke richting. Via een duiker onder de Koenderse weg kreeg de Broekgraaf weer verbinding met die van de moederpol;der en was in feite de afwatering weer als vóór 1371.

 

De grens van het graafschap

De grens van het graafschap bleef de gemeentegrens. Er zijn geen aanwijzingen, dat de grens meer westelijk heeft gelegen dan nu het geval is.

Wel is het onder Leerdam behorende Klein- of Hoog Oosterwijk meermalen vereenzelvigd met het "Arkelse" Oosterwijk.

Zo vinden we in de beschrijving van de watersnood van 1820 gegevens over de doorbraak bij de boerderij van Walig Verdugt, beschreven als de doorbraak te Oosterwijk. Genoemd worden de preikant A.J. van Houten, de schout Gijsbert de Keijzer, de schoolmeester J. Kooijman, die samen met veel dorpsgenoten getracht hebben de doorbraak te keren. Heel typisch, want dit moet stellig op Leerdams grondgebied plaats gevonden hebbeen.

Wat de bewuste watergang van 1371 betreft, de Middelkooper Vliet, deze is later buiten gebruik geraakt. Op een kaart uit 1726 komt deze uitwatering nog voor, vooraan de Koenderse weg de Middelkooper molen.

In 1741 is er een dijkdoorbraak gewest, waarbij de "Oude Wiel" ontstond. Deze doorbraak gebeurde vrijwel ter hoogte van de uitwatering van de Vliet. Het ligt voor de hand, dat de toen uitgeslagen grond de watergang een flink eind heeft dichtgespoeld en het ziet er naar uit, dat nadien de Vliet niet meer als uitwatering heeft gefunctioneerd. Als grens bleef ze echter en het gecoupeerde deel van Oosterwijk is nimmer bij het oude dorp terug gekomen.

 

De Ambachtsheerlijkheid

Toch werd Oostenrijk na de Arkelse tijd nog tot een "Hoge Heerlijkheid" verheven. Dat bleef zo tot de samenvoeging met Kedichem in 1820.

Waarom kreeg een zo kleine gemeenschap deze status? We menen, dat dit een gevolg is van de ligging, n.l. bij de grens met het gebied van de hertogen van Gelre. Immers na de ondergang van de Arkels komt dit gebied bij Holland en wordt in 1498 Leerdam een zelfstandig graafschap onder de Egmonds.

Spoedig daarna is de Heerlijkheid Oosterwijk in handen van de heren van Liere. Deze familie beat ook Zoetermeer en de beide Katwijken. Er was dus een goede binding met Holland. In die dagen zal het "versterkt huijs" of kasteel van Oosterwijk gebouwd zijn als steunpunt voor de Hollandse belangen.

Zoals gezegd werd in 1820 Oosterwijk bij Kedichem gevoegd. De oude grens tussen "Arkel" en "ter Leede" bleef ook nu de gemeentegrens.

We weten het, dat bij de handen zijnde gemeentelijke herindeling Oosterwijk bij Leerdam gevoegd zal worden. Pas dan zal de grafelijke grens wegvallen en zal het oudste dorpje uit de Landen van Arkel bij Leerdam komen.

De Heerlijkheid Oosterwijk is al lang historie. Tot 1967 was er nog een Ambachtsvrouwe. Als dorp stelt het minuscule Oosterwijk weinig voor.

Toch heeft deze kleine gemeenschap door alles heen haar eigen aard en gemeenschapszin weten te behouden. Waarschijnlijk wortelen deze in de sterke verknochtheid aan de grond en in de voortdurende strijd tegen het water.

Zal Oosterwijk ook na de zoveelste gezagsverandering zichzelf kunnen blijven? De tijd zal het leren.

 

J.D. v.d. Zalm

 

Jaargang 2 nr. 1