DE VERENIGDE OOST-INDISCHE COMPAGNIE

 

 

 

 

 

Bij het doornemen van bepaalde boeken op het brede terrein van de vaderlandse geschiedenis, vraag je jezelf af, wat Leerdam hiermede te maken heeft. Heel vaak kom je tot de conclusie, dat de geschiedenis van Leerdam er niets mee te maken heeft, tenminste dat lijkt zo. Maar bij diepgaander onderzoek blijken er toch aanknopingspunten te zijn. Zo ook met dit onderwerp: de V.O.C.

Wat had Leerdam, dat geen stad van zeevarende was, hiermede te maken? Waren er dan handelsbetrekkingen, die aanknopingspunten vormden?

Leerdam had vooral handel met plaatsen langs de Rijn! Toch bleek de V.O.C. voor sommige inwoners een grote aantrekking op te leveren. Waren dat avonturiers?

We weten van hen niets anders, dan dat ze in Indië geweest zijn. Een enkele maal werd de kerkenraad er mee geconfronteerd. Zij was het die toezicht hield op de handel en wandel van de lidmaten. Wie naar een andere plaats vertrok, moest zich melden bij de kerkenraad. Dan kon deze zich het lot van betrokken lidmaat aantrekken. Vestigde men zich in Leerdam, dan moest men het bewijs overleggen van de vorige gemeente. Maar daar in Indië, hoe ging het daar toe? Batavia was voor henniet meer dan een klank. Dat ondervond b.v. Francois la vie. Deze persoon, uit Heukelum afkomstig, maar laatst in Leerdam wonende, had van de kerkenraad van Leerdam een attestatie mee gekregen, dat op hem niets aan te merken viel. Tien hij na 4 jaar in Leerdam terugkeerde, leverde hij de oude verklaring weer in. Hij moest zich verantwoorden, waar hij al die jaren geweest was. Had hij dan nooit geen kerk bezocht? Hoe was zijn leven in Indië geweest? La Vie vertelde de heren, dat hij een zeer voorspoedige reis had gehad. Na 2,5 jaar varen was hij in Batavia aangekomen en had direct kunnen monsteren op een schip, dat klaar lag voor de reis naar Holland. Met de gunstige wind was hij in 1,5 jaar weer terug. Hij had zich nergens blijvend gevestigd en alleen maar gevaren. Het strenge regiem aan boord had hem geen kwaad gedaan. De heren van de kerkenraad bleken geen flauw idee te hebben, dat iemand in 4 jaar heen en weer naar Indië kon varen. Wanneer Jan van Ameijde eind 1727 naar Batavia vertrekt en begin 1732 terugkomt, moet ook hij zich verantwoorden hierover voor de kerkenraad. Er blijken meer mensen hun tijd in Indië te hebben doorgebracht. Zo komt mr. Cornelis de la Maille op 4.10.1695 uit Batavia terug. Hij blijkt daar een hele tijd door gebracht te hebben en levert een attestatie uit die plaats in. Er was daardoor geen commentaar. Na zijn aankomst huwt hij met Wilhelmina Heykoop uit Asperen. Er komen nog een paar Indiëvaarders terug. Wat ze in Indië hebben gedaan stond niet vermeld. Van één van hen alleen, dat hij als erfgenaam van de vrouw van de gerechtsbode Huibert de Bie een stuk land erfde op Oosterwijk.

Het was bekend, dat er onder het soldatenvolk, dat neer de Oost vertrok, vaak allerlei personen waren, die een kwaad geweten hadden en zich aan bijvoorbeeld moord schuldig hadden gemaakt. Om aan hun straf te ontkomen tekenden ze dan voor de Oost. Zo werd Jacobus Snoek in 1763 naar Indië verbannen. Deze jonggezel was erg lui en vaak dronken. In zo’n dronkenschap bleek hij dan gevaarlijk te kunnen zijn tegenover iedereen, die met hem in aanraking kwam. De diaconie had hem een eerlijk vak laten leren, maar hij bleek te lui om te werken. De diaconie wist geen andere manier om zich van hem te ontdoen, dan een tocht naar de Oost!

Tijdens het strenge regiem zou hij wel opknappen. Toch wilden vrienden van hem het nog eens met hem proberen. Daarom werd hij naar Strijp bij Eindhoven gezonden. Daar had hij hard moeten werken en was na enige jaren weer in Leerdam gezond en wel teruggekeerd. Hij kon nu zelf de kost verdienen en viel nu als gewoon burger niet meer onder toezicht van de diaconie. Maar na enige tijd verviel hij weer in zijn oude fout. Het gevolg hiervan was, dat hij door de Drossaard opgepakt werd. Deze veroordeelde hem tot verbanning en een reis naar Indië. Zo lang hij in Leerdam moest verblijven werd hij op de Hoogpoort opgesloten op kosten van de diaconie. Deze zocht zich zo snel mogelijk van hem te ontdoen. Bij navraag bleek er weldra eens chip uit Rotterdam te vertrekken. De diaconie moest echter wel garant staan voor de kosten van de overtocht. Snoek moest daarom een verklaring tekenen, dat hij deze kosten zou terugbetalen. Een week later bracht de Dienaar van de Justitie hem naar Rotterdam en voer hij af. Wat er met hem verder gebeurd is, is niet beschreven, maar wel dat deze zaak als afgedaan werd beschouwd.

 

Niet iedereen, die naar de Oost ging, had echter iets op zijn kerfstok. Er waren ook vrijwilligers, die trachten in de Oost fortuin te maken. Zo kwam Hendrik Engelbert uit Ceijlon terug. Ceijlon leverde immers veel kaneel. Iedereen dreef voor eigen risico in 1761 daar handel. En dat deed deze Hendrik Engelbert ook, gezien zijn fortuin bij terugkeer.

Pieter van der Sprenkel zocht het wat dichterbij. Hij bleef enige jaren op Kaap de Goede Hoop, waar men verse groenten kon krijgen en de zieken achtergelaten werden, die daar vaak opknapten. Toen het in 1780 minder voor de wind ging met de V.O.C. keerde hij naar Leerdam terug, waar hij zijn laatste levensjaren verder doorbracht.

 

Reeds eerder vestigde ik uw aandacht op de scheepsjongen Welgevaren, die bij het uitvaren van de "Amsterdam" op de Engelse kust verdronk. In zijn familie kwamen vier voorouders voor, die de V.O.C. als kapitein dienden. Dat Leerdam er niet slechter van werd, als uit de Oost teruggekeerden, zich hier vestigden, bleek uit de naam van een huis: "De Oost-Indië-vaarder". Deze eigenaar had zijn centen verdiend en bouwde zich hier een huis.

 

In de rekening van de diaconie komen in die tijd ook posten voor, die erop wijzen dat verschillenden niet terugkeerden, maar daar of op reis overleden. De Kamer van de V.O.C. te Middelburg wikkelde na terugkomst van het schip het tegoed van deze matrozen af. Rond 1750 lazen we een viertal keren, dat de diaconie geld voorschoot aan vrouwen, die naar Middelburg gingen om het overgeschoten geld in ontvangst te nemen. Ook bracht soms een schipper uit Zeeland dat geld voor de nabestaanden mee.

 

Uit allerlei bronnen blijkt wel, dat de V.O.C. zijn sporen in Leerdam achterliet, al vinden we dit niet op elke bladzijde vermeld. Het onderzoek van rijke bronnen, vordert veel tijd. Wie iets over de geschiedenis van de V.O.C. wil lezen kan terecht in de plaatselijke bibliotheek waar b.v. het boek van F.S. Gaastra een moderne kijk op dit deel van onze vaderlandse geschiedenis geeft, al bevat het dan niets over Leerdam. Dat moet je uit andere bronnen stukje voor beetje halen.

 

R. v.d. Berg

 

Jaargang 8 nr. 3